ECLI:NL:HR:2022:332

ECLI:NL:HR:2022:332, Hoge Raad, 25-02-2022, 21/01978

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 25-02-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/01978
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Prejudiciële beslissing
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:1112
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 4 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002154 BWBR0002356 BWBR0002656 BWBR0003738 BWBR0009269

Samenvatting

Prejudiciële vragen in Caribische zaak. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap (art. 17 RWN). Uitleg van ‘geboorteakte’ in art. 1:209 BW; oorspronkelijke buitenlandse geboorteakte of latere erkenningsakte?

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In deze zaak is de uitleg van het begrip ‘geboorteakte’ in art. 1:209 BW aan de orde.

Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) Verzoekster is geboren in 1975 in de Dominicaanse Republiek uit een ongehuwde vrouw die de Dominicaanse nationaliteit had (hierna: de moeder).

(ii) Verzoekster is in 1975 erkend in de Dominicaanse Republiek door een man die de nationaliteit van Puerto Rico, en dus de Amerikaanse nationaliteit, had. Deze erkenning is aangetekend op de geboorteakte van verzoekster.

(iii) In 1981 is de moeder in de Dominicaanse Republiek gehuwd met een man met de Nederlandse nationaliteit (hierna: de echtgenoot).

(iv) Verzoekster is in 1983 (maar volgens de wet: nietig) erkend in Sint Eustatius door de echtgenoot.

(v) De (nietige) Statiaanse erkenning is ingeschreven in het bevolkingsregister van Sint Eustatius waar verzoekster vanaf 1982 haar gewone verblijfplaats had.

(vi) Blijkens het trouwboekje van de moeder en de echtgenoot hebben zij drie kinderen onder wie verzoekster.

Verzoekster verzoekt in deze zaak, voor zover voor de beantwoording van de prejudiciële vraag van belang, op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap om vaststelling van haar Nederlanderschap.

Het hof heeft de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:

Slaat, indien een kind in het buitenland is geboren en in het Koninkrijk is erkend, de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt of op de latere erkenningsakte bij de burgerlijke stand in het Koninklijk, al dan niet in verbinding met inschrijving van de erkenning in het bevolkingsregister of basisadministratie persoonsgegevens in het Koninkrijk (en wellicht in een trouwboekje)?

3. Beantwoording van de prejudiciële vraag

Art. 1:209 BW bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Art. 1:209 BW is gelijkluidend aan art. 1:209 van het voor Sint Eustatius geldende BW (hierna: BW-BES). Het strookt met het in art. 39 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen, om voor de uitleg van art. 1:209 BW-BES aan te sluiten bij de uitleg van art. 1:209 BW.

Er is sprake van zogenoemd bezit van staat in de zin van art. 1:209 BW indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander. Bezit van staat beoogt rechtszekerheid en bescherming van het belang van het kind te bieden. Deze rechtszekerheid en bescherming strekken zich mede uit tot buitenlandse geboorteaktes waaraan een gebrek kleeft.

Noch uit de tekst noch uit de parlementaire geschiedenis van art. 1:209 BW blijkt dat de wetgever de term geboorteakte in deze bepaling heeft willen uitbreiden naar latere afzonderlijke akten houdende erkenning indien de afstamming reeds volledig uit de binnen- of buitenlandse geboorteakte blijkt. Het strookt met de tekst en de strekking van art. 1:209 BW dat in een geval zoals het onderhavige alleen de buitenlandse geboorteakte als geboorteakte in de zin van art. 1:209 BW wordt aangemerkt.

Het antwoord op de prejudiciële vraag luidt derhalve dat de term ‘geboorteakte’ in de zinsnede ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in art. 1:209 BW – in het geval een kind in het buitenland is geboren en erkend – ziet op de oorspronkelijke geboorteakte die zich in het buitenland bevindt.

4. Beslissing

De Hoge Raad beantwoordt de vraag op de hiervoor in 3.4 weergegeven wijze.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 25 februari 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2022/543 RvdW 2022/275
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?