HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/04662 P
Datum 19 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2019, nummer 21-005918-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot:
- vernietiging van de bestreden uitspraak,
- vermindering van de vaststelling van de omvang van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel met een bedrag van € 20.300, en
- vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag naar de gebruikelijke maatstaf in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel voor wat betreft de ‘afgedragen inkomsten [betrokkene 1] ’ onbegrijpelijk is gemotiveerd en voert daartoe in het bijzonder aan dat in de berekening sprake is van een dubbeltelling.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 10. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag verminderen met 29 dagen vermenigvuldigd met de berekende dagopbrengst van € 700, zijnde in totaal € 20.300.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting verminderen met € 5.000.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 596.100;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 591.100 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2022.