HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02301
Datum 19 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 mei 2021, nummer 20-000995-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat de door het hof aan de verdachte opgelegde vrijheidsstraf vijf jaren en zes maanden beloopt, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en het cassatieberoep zal verwerpen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, omdat de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden voor de bewezenverklaarde feiten 2 tot en met 5 niet overeenkomt met de in de strafmotivering bedoelde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden voor diezelfde feiten.
Volgens het dictum heeft het hof de verdachte ter zake van de onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en acht maanden, met aftrek als bedoeld in artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.
Om de redenen die in de conclusie van de advocaat-generaal staan vermeld, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld en zal de Hoge Raad de uitspraak van het hof zo verstaan dat aan de verdachte voor de onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf is opgelegd van vijf jaren en zes maanden.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat het hof aan de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten 2, 3, 4 en 5 een gevangenisstraf heeft opgelegd van vijf jaren en zes maanden;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2022.