2. Uitgangspunten en feiten
Deze zaak gaat over de verdeling van de tussen partijen bestaande, ontbonden gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, de gemeenschappelijke woning (hierna: de woning) aan de vrouw toegedeeld. De man heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.
Omdat de man niet meewerkte aan de levering van de woning, heeft de vrouw in kort geding onder meer medewerking aan het notarieel transport van de woning door de man gevorderd. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen. In het dictum van het vonnis heeft de voorzieningenrechter onder meer bepaald dat wanneer de man niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking verleent aan het notarieel transport van de woning, het vonnis dezelfde kracht zal hebben als de handtekening (en parafen) van de man onder (en in) de benodigde notariƫle akte(n). De man heeft tegen het kortgedingvonnis hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft de bodemzaak en het kort geding gevoegd behandeld en in beide zaken op dezelfde dag, bij afzonderlijke arresten, einduitspraak gedaan. In het kort geding heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, en voor het overige bekrachtigd. In de bodemzaak heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de beslissing van de rechtbank over de woning bekrachtigd.
De man heeft cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof in de bodemzaak, en niet tegen het arrest van het hof in het kort geding.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
Volgens de vrouw is de man niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep, omdat niet is gebleken dat dit beroep binnen acht dagen na het instellen ervan is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Zij voert aan dat met de bepaling in het vonnis van de voorzieningenrechter in het kort geding en de bekrachtiging daarvan door het hof, ook het vonnis van de rechtbank in de bodemzaak en de bekrachtiging daarvan door het hof zijn te beschouwen als uitspraken waarop het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW van toepassing is.
Op grond van art. 3:301 lid 2 BW moeten verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Art. 3:301 lid 2 BW heeft een beperkte strekking. Gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid bestaat er geen grond om het toepassingsbereik van deze bepaling uit te breiden tot gevallen die niet door de wettekst worden bestreken.
Het cassatieberoep van de man richt zich tegen het eindarrest van het hof in de bodemzaak. In de bodemzaak is niet bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte. Art. 3:301 lid 2 BW is daarop dan ook niet van toepassing. Gelet op de beperkte strekking van deze bepaling, bestaat er geen grond deze bepaling ook toe te passen op gevallen waarin in de bestreden uitspraak niet een bepaling is opgenomen zoals bedoeld in art. 3:301 lid 1 BW, maar in een uitspraak in een daarmee samenhangend kort geding wel.
Het betoog van de vrouw dat de man niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, faalt daarom.
De Hoge Raad zal de zaak verwijzen voor schriftelijke toelichting door partijen en iedere verdere beslissing aanhouden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwijst de zaak naar de roldatum 2 september 2022 voor schriftelijke toelichting;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 22 april 2022.