ECLI:NL:HR:2022:639

ECLI:NL:HR:2022:639, Hoge Raad, 22-04-2022, 21/02075

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-04-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/02075
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2022:245
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2021:4161
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 5 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001903 BWBR0002320 BWBR0005252 BWBR0005290 BWBR0005537 CELEX:32016R0679 EU:32016R0679

Samenvatting

Art. 8:29 Awb en art. 28, lid 5, AWR. Cassatieberoep tegen tussenbeslissing niet-ontvankelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/02075

Datum 22 april 2022

ARREST

in de zaak van

[X] , domicilie gekozen hebbend te [Z] , (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2021, nr. 20/00569, als bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M. Hendriks en J. Berns, heeft tegen de beslissing van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door M. Hendriks en J. Berns voornoemd, advocaten te Nijmegen.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 16 maart 2022 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag beroep ingesteld. De Inspecteur heeft zich met betrekking tot bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken beroepen op gewichtige redenen in de zin van artikel 8:29, lid 1, Awb die meebrengen dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van die stukken. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft beperkte kennisneming van bepaalde stukken gerechtvaardigd geacht. Daarop heeft de Rechtbank uitspraak gedaan.

De geheimhoudingskamer van het Hof heeft beslist dat de door de Inspecteur aangebrachte beperking van de kennisneming is gerechtvaardigd. Die beperking hield in dat de Inspecteur een geschoonde versie van de stukken heeft overgelegd, aangevuld met enkele ongeschoonde stukken overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank.

Het beroep in cassatie is gericht tegen de hiervoor in 2.3 genoemde beslissing. Deze krachtens artikel 8:29, lid 3, Awb gegeven beslissing van het Hof is niet een uitspraak waartegen op grond van artikel 28, lid 1, letter a, AWR beroep in cassatie kan worden ingesteld. Tegen een dergelijke beslissing van een gerechtshof staat beroep in cassatie open, maar dat beroep kan slechts tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak van het gerechtshof worden ingesteld (artikel 28, lid 5, AWR).

Belanghebbende betoogt dat het beroep in cassatie niettemin ontvankelijk is vanwege het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, NJ 1999/243. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat, ingeval een wettelijke regeling geen hogere voorziening tegen een rechterlijke beslissing toelaat, tegen een dergelijke beslissing niettemin kan worden opgekomen indien de rechter die regeling ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, of zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling.

Dit betoog kan niet worden gevolgd. Tegen een op grond van artikel 8:29, lid 3, Awb door een gerechtshof genomen beslissing staat immers volgens artikel 28, lid 5, AWR een hogere voorziening open, zij het eerst nadat door het gerechtshof een einduitspraak is gedaan als bedoeld in artikel 28, lid 1, letter a, AWR.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2022/1001 V-N 2022/19.12 met annotatie van Redactie NLF 2022/0880 met annotatie van Yola Geradts JB 2022/99 BNB 2022/85 met annotatie van E.B. PECHLER NJB 2022/1859 FED 2023/42 met annotatie van R.M.P.G. NIESSEN-COBBEN NTFR 2022/1735 met annotatie van mr. R.C.H. Graves Viditax (FutD) 2022042213 FutD 2022-1202
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?