HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02058
Datum 25 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2015, nummer 21-003081-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in de zaak met parketnummer 16-157653-14 de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 mei 2015 en in de zaak met zaak met parketnummer 16-023930-15 de inleidende dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 8 mei 2015 ten onrechte niet nietig heeft verklaard.
Het hof heeft met toepassing van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep omdat de verdachte geen bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken.
Het cassatiemiddel miskent dat ingevolge artikel 422 Sv het hof slechts aan de beraadslaging als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv toekomt als aan het vereiste is voldaan dat “het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt.” Daaruit volgt dat de vraag naar de geldigheid van de inleidende dagvaarding slechts aan de orde kan komen wanneer de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep bevestigend is beantwoord. Daarvan is geen sprake in het geval artikel 416 lid 2 Sv wordt toegepast. (Vgl. HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1199.)
Het cassatiemiddel faalt daarom.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
De politierechter heeft de verdachte veroordeeld en aan hem onder meer een schadevergoedingsmaatregel van € 340 opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.
Als gevolg van de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep, is het hof niet toegekomen aan een beoordeling van de in het vonnis van de politierechter opgenomen beslissing met betrekking tot de strafoplegging. In cassatie kan niet worden geklaagd over de in het vonnis van de politierechter opgelegde vervangende hechtenis, nu in cassatie het vonnis van de politierechter en de daarin opgenomen beslissingen niet ter beoordeling voorliggen. (Vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:806.)
Het cassatiemiddel faalt.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat na de uitspraak van het arrest dat het hof bij verstek heeft gewezen, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
Nu de schriftuur geen klachten bevat ten aanzien van de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep en de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop dat oordeel ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, kan de klacht dat na het wijzen van het arrest van het hof bij de betekening van de verstekmededeling niet de nodige voortvarendheid is betracht niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof, zodat het cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld (vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5711).
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.