HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/01244 B
Datum 24 mei 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 8 februari 2021, nummer RK 20-009122, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klaagster
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld
De beroepen zijn ingesteld door de klaagster en het openbaar ministerie. Namens de klaagster zijn geen cassatiemiddelen voorgesteld.
Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klaagster een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klaagster niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).
Het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de onder de klaagster inbeslaggenomen Instagram-accounts niet kunnen worden aangemerkt als - voor verbeurdverklaring vatbare - voorwerpen in de zin van artikel 94 lid 2 Sv van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 21/01245 B, ECLI:NL:HR:2022:687.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de klaagster niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.