HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02570
Datum 21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2020, nummer 23-002217-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel, de eerste deelklacht van het derde cassatiemiddel en het vijfde cassatiemiddel
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel, de tweede deelklacht van het derde cassatiemiddel, het vierde en het zesde cassatiemiddel
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De Hoge Raad heeft deze klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
De klachten hebben betrekking op de strafoplegging. In het bijzonder klagen de cassatiemiddelen dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat het de straf voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde kon bepalen, dat het hof de verbeurdverklaring van een aantal in de schriftuur genoemde voorwerpen ontoereikend heeft gemotiveerd en dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld wat betreft de naleving van de algemene voorwaarden.
De klachten slagen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.1 en 4.2, 6.6, 7.1 en 7.2 en 9.2-9.4. De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de zaak zelf afdoen en, in aansluiting bij de kennelijke bedoeling van het hof, de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts zal de Hoge Raad de teruggave gelasten van de hierna te noemen voorwerpen.
4. Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de op te leggen taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van de voorwerpen met de nummers 15, 16, 44, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144 en wat betreft de ‘strafbepaling’ ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde;
- veroordeelt de verdachte ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 april 2016 onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het bij de uitspraak van het hof van 17 augustus 2020 onder 1 bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 uren, subsidiair 57 dagen hechtenis belopen;
- vermindert het onder nummer 44 verbeurdverklaarde geldbedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 6.893,19 bedraagt;
- gelast de teruggave aan de verdachte van het onder nummer 44 inbeslaggenomen geldbedrag van € 13.451,81;
- gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 15, 16, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2022.