HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00672
Datum 28 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 februari 2021, nummer 20-000212-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D. Bektesevic en F.T.C. Dölle, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikelen 107 lid 2 in samenhang met artikelen 177 lid 1 en 178 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)). Het hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Op grond van artikel 427 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft dat feit het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring en kwalificatie onder 1.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 21 november 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, op de weg, Mierloseweg, een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, terwijl hij wist dat op dat motorrijtuig tekens, te weten kentekenplaten met kenteken [kenteken], waren aangebracht die, niet zijnde het ingevolge artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken, door konden gaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken.”
Het hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Op grond van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 21 november 2018 op de weg als bestuurder optrad van een personenauto, Mazda Premacy, die op dat moment was voorzien van kentekenplaten met daarop het (Belgische) kenteken [kenteken].
Het hof acht algemeen bekend dat kentekens die in België op grond van de daar geldende regelgeving plegen te worden aangebracht op in België geregistreerde motorrijtuigen persoonsgebonden en niet voertuiggebonden zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de Nederlandse nationaliteit en niet ook de Belgische nationaliteit bezit.
Naar het oordeel van het hof moet op grond van het vorenstaande worden aangenomen dat het - afgezien van bijzondere omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn en ook niet aannemelijk zijn gemaakt - onmogelijk is dat de verdachte legitiem de Mazda Premacy op de weg heeft kunnen besturen, terwijl op die auto kentekenplaten met een Belgisch kenteken waren aangebracht. Het hof is voorts van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat op die auto een Belgisch kenteken was aangebracht dat niet het ingevolge artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor die auto opgegeven kenteken was, maar dat wel door kon gaan voor het overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlandse kenteken, tot het voeren van welk kenteken de verdachte niet bevoegd was.”
Het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “overtreding van artikel 41, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994, en het feit begaan als bestuurder van het motorrijtuig”.
Artikel 41 WVW 1994 luidt:
“1. Het is verboden:
(...)
d. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken dan wel voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken (...);
(...)
f. een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een in het buitenland voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken.
2. Voor overtreding van het eerste lid, onderdelen (...) d en f, zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, een en ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op het motorrijtuig (...) een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht (...).”
Het cassatiemiddel berust in de eerste plaats op de opvatting dat artikel 41 lid 1, aanhef en onder d en onder f, WVW 1994 elkaar uitsluitende delictsomschrijvingen zijn en dat daarom alleen tot een bewezenverklaring voor artikel 41 lid 1, aanhef en onder d, WVW 1994 kan worden gekomen als het gaat om een motorrijtuig dat in Nederland en niet in het buitenland is geregistreerd. Die opvatting is echter, mede gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13 aangehaalde wetsgeschiedenis, onjuist.
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat kentekens die in België op grond van de daar geldende regelgeving plegen te worden aangebracht op in België geregistreerde motorrijtuigen persoonsgebonden en niet voertuiggebonden zijn. Het klaagt tevens erover dat het hof dit gegeven niet ter terechtzitting ter sprake heeft gebracht.
Op grond van artikel 339 lid 2 Sv behoeven feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. (Vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, rechtsoverweging 2.4.)
Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Indien echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Aldus wordt voorkomen dat hij zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van artikel 359 lid 2 Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid. (Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, rechtsoverweging 3.2.2.)
Het oordeel van het hof dat de in België geldende regelgeving omtrent kentekens voor in België geregistreerde motorrijtuigen is aan te merken als een feit of omstandigheid van algemene bekendheid en daarom niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake hoefde te worden gebracht getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk zodat ook deze klacht faalt.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2022.