ECLI:NL:HR:2023:1263

ECLI:NL:HR:2023:1263, Hoge Raad, 19-09-2023, 21/05038

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/05038
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2023:597
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0033715

Samenvatting

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. onttrekking van diverse goederen aan gelegd beslag (art. 198.1 Sr) en bedreiging van zijn (ex-)echtgenote door met mes stekende bewegingen te maken (art. 285.1 Sr). Dubbel verstek. 1. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.1 jo. 36e.2.b Sv. Is dagvaarding in h.b. rechtsgeldig betekend, nu het verdachte o.g.v. strafvonnis Pr t.t.v. betekening van dagvaarding niet was toegestaan te verblijven in straat waarin zijn BRP-adres is gelegen? 2. Aanwezigheidsrecht. Kon hof zonder nader verstek verlenen tegen niet-verschenen verdachte? Ad 1. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat dagvaarding in h.b. rechtsgeldig is betekend. Dat oordeel geeft gelet op art. 36e.1.b.1 en 36e.2.b Sv niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat het verdachte o.g.v. vonnis Pr t.t.v. betekening van die dagvaarding niet was toegestaan te verblijven in straat waarin zijn BRP-adres is gelegen en contact te (laten) hebben met de op dat adres woonachtige personen, maakt dat niet anders, nu verdachte op het moment van betekening in BRP als ingezetene was ingeschreven op dat adres. Ad 2. In het geval dat dagvaarding van verdachte die is ingeschreven in BRP, geldig is betekend en verdachte noch zijn raadsman op tz. is verschenen, kan rechter in beginsel uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat is anders als er duidelijke aanwijzingen zijn van tegendeel. In een bijzonder geval als dit, waarin dagvaarding overeenkomstig art. 36e.1.b.1 en 36e.2.b Sv is betekend maar het verdachte o.g.v. vonnis Pr t.t.v. betekening van dagvaarding in h.b. niet was toegestaan te verblijven op adres waar getracht is dagvaarding uit te reiken en contact te (laten) hebben met de op dat adres woonachtige personen, terwijl niet kan worden vastgesteld dat verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van zitting in h.b., kan rechter in h.b. niet uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Rechter moet dan, mede gelet op het in art. 6.3 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van verdachte, onderzoeken (en van dat onderzoek blijk geven) of er reden is onderzoek op tz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek op tz. tegenwoordig te zijn. Daarbij kan rechter betrekken dat van verdachte die h.b. instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag worden verwacht dat hij in maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat dagvaarding in h.b. hem niet bereikt of inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman (die uit eigen hoofde afschrift van dagvaarding in h.b. ontvangt als hij zich in h.b. heeft gesteld) opdat verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van tijdstip van behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. Hof heeft niet blijk gegeven van hiervoor genoemd onderzoek. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: Betekeningsklacht slaagt, nu van justitie enig onderzoek mocht worden verwacht naar juistheid van adres en van hof nader onderzoek mocht worden verwacht naar correctheid van betekening, mede gelet op vermelding van ander adres in kennisgeving inbeslagneming, p-v van inverzekeringstelling en bevel inverzekeringstelling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/05038

Datum 19 september 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 augustus 2021, nummer 22-000641-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Roos, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 12. Deze stukken houden - kort samengevat - het volgende in:

- namens de verdachte is op 4 maart 2021 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 1 maart 2021;

- de dagvaarding in hoger beroep voor de strafrolzitting van het hof van 12 augustus 2021 is (na eerdere pogingen op 24 en 27 juli 2021) op 30 juli 2021 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats] en vervolgens op 10 augustus 2021 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, waarna op die datum een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dat adres in [plaats] ;

- informatiestaten SKDB-persoon van 10 augustus en 16 juli 2021 houden in dat de verdachte op dat moment niet is gedetineerd, dat hij met ingang van 21 november 2013 in de basisregistratie personen (BRP) is ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 8 december 2020) [a-straat 1] in [plaats] is;

- de verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en tegen hem is verstek verleend, waarna het hof de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

In deze zaak is de verdachte door de politierechter bij vonnis van 1 maart 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Door de politierechter is daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen van de aan de verdachte opgelegde bijzondere voorwaarden, die onder meer inhouden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de [a-straat] in [plaats] en, kort gezegd, dat hij op geen enkele wijze contact zal (laten) opnemen met zijn (ex-)echtgenote en haar kinderen die op het adres [a-straat 1] in [plaats] woonachtig zijn. Het cassatiemiddel strekt ertoe dat het hof niet tot verstekverlening had mogen overgaan, omdat de dagvaarding om in hoger beroep te verschijnen in de periode waarin deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar waren, uitsluitend is aangeboden op het adres [a-straat 1] .

Artikel 36e leden 1 en 2 Sv luidt:

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Dat oordeel geeft gelet op artikel 36e lid 1, aanhef en onder b.1°, en lid 2, aanhef en onder b, Sv niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat het de verdachte op grond van het vonnis van de politierechter ten tijde van de betekening van die dagvaarding niet was toegestaan te verblijven in de [a-straat] in [plaats] en contact te (laten) hebben met de op het adres [a-straat 1] in [plaats] woonachtige personen, maakt dat niet anders, nu de verdachte op het moment van de betekening in de BRP als ingezetene was ingeschreven op het adres [a-straat 1] .

In het geval dat de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, geldig is betekend (uitgereikt) en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter in beginsel uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat is anders als er duidelijke aanwijzingen zijn van het tegendeel.

In een bijzonder geval als dit, waarin de dagvaarding overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b.1°, en lid 2, aanhef en onder b, Sv is betekend, maar het de verdachte op grond van het vonnis van de politierechter ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep niet was toegestaan te verblijven op het adres waar getracht is de dagvaarding uit te reiken en contact te (laten) hebben met de op dat adres woonachtige personen, terwijl niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op andere wijze op de hoogte is gesteld of daadwerkelijk weet heeft van de zitting in hoger beroep, kan de rechter in hoger beroep niet uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De rechter moet dan, mede gelet op het in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte, onderzoeken – en van dat onderzoek blijk geven – of er reden is het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Daarbij kan de rechter betrekken dat van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de dagvaarding in hoger beroep hem niet bereikt of de inhoud daarvan hem niet bekend wordt. Tot die maatregelen kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman – die uit eigen hoofde een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep ontvangt als hij zich in hoger beroep heeft gesteld – opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt.

Het hof heeft niet blijk gegeven van het onder 2.5.2 genoemde onderzoek. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2023-0148 NJB 2023/2261 RvdW 2023/906 NJ 2023/356 met annotatie van N. Jörg
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?