HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/04389
Datum 29 september 2023
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2022, nr. 21/3740 AKW, 22/62 AKW, op het hoger beroep van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 20/5441) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Ruijs, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2023.