HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02968
Datum 17 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 augustus 2022, nummer 21-000034-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling onvoldoende heeft gemotiveerd omdat uit de uitspraak van het hof niet kan volgen om welke reden de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek dat moet worden verricht ten behoeve van het advies van gedragsdeskundigen als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het hof heeft de verdachte voor onder meer bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld en hem ten aanzien van dat feit ter beschikking gesteld met verpleging van overheidswege. De overwegingen van het hof over de sanctieoplegging zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4.
Artikel 37a leden 1, 3 en 4 Sr luidt:
“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:
1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; (...)
3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. (...)
4. Het derde lid blijft buiten toepassing, indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel een ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen.”
Het hof heeft de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege toereikend gemotiveerd. Voor zover het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de feitenrechter in zijn uitspraak de reden van weigering van de verdachte om medewerking te verlenen aan het gedragskundig onderzoek moet vermelden, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.