ECLI:NL:HR:2023:1471

ECLI:NL:HR:2023:1471, Hoge Raad, 31-10-2023, 22/00780

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 31-10-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/00780
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2023:764
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2022:2528
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 19 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0008804

Samenvatting

Ontucht met 10-jarig nichtje door 57-jarige verdachte tijdens logeerpartij, art. 244 jo. art. 248.2 Sr. Afwijzing door hof zonder enige motivering van ttz. in hoger beroep gedaan verzoek tot onderzoek door deskundige naar detentiegeschiktheid van verdachte. Hof heeft verzoek van verdediging kennelijk opgevat als verzoek tot benoemen van deskundige door zittingsrechter of (na verwijzing van zaak door hof) door RC of Rh-C met het oog op nader onderzoek naar detentiegeschiktheid van verdachte. Dit betreft verzoek a.b.i. art. 328 jo. art. 331.1 Sv om gebruik te maken van de in art. 315.3 dan wel art. 316 Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf voor beslissing op zo’n verzoek is telkens of rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken. Hof heeft dit verzoek afgewezen zonder dat het ervan blijk heeft gegeven hiervoor genoemde maatstaf te hebben aangelegd, terwijl hof ook niet anderszins redenen heeft genoemd voor afwijzing van verzoek. Hof heeft afwijzing van verzoek daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00780

Datum 31 oktober 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2022, nummer 20-004066-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek dat de verdediging op de terechtzitting in hoger beroep heeft gedaan om onderzoek te laten doen door een deskundige naar de detentiegeschiktheid van de verdachte.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2021 houdt onder meer het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat sinds de vorige zitting op 6 januari 2021 na te noemen stukken aan het dossier zijn toegevoegd en deelt mondeling de korte inhoud daarvan mede:

- een reclasseringsadvies d.d. 9 april 2021;

- een brief van mr. Bloebaum d.d. 14 april 2021 aan het hof, waarin zij meedeelt dat zij inschat dat verdachte zowel fysiek als mentaal niet in staat zal zijn om de zitting van heden bij te wonen, dat zij echter nog in afwachting is van medische informatie van de huisarts van verdachte en derhalve nog geen formeel aanhoudingsverzoek zal doen;

- een brief van mr. Bloebaum d.d. 21 april 2021, waarin zij aankondigt ter terechtzitting van heden een aanhoudingsverzoek te zullen doen en de advocaat-generaal zal verzoeken nader onderzoek te laten verrichten naar de geestelijke en lichamelijke toestand van verdachte door een psycholoog en/of psychiater, gelet op de vraag of verdachte in staat is de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep bij te wonen en of verdachte – indien het hof tot een veroordeling mocht komen – geschikt is voor een (langdurige) detentie en/of voor het uitvoeren van een taakstraf;

- een e-mailbericht van de advocaat-generaal d.d. 23 april 2021, waarin zij haar voorlopig standpunt meedeelt ten aanzien van de door mr. Bloebaum bij brief van 21 april 2021 geformuleerde onderzoekswensen;

- een e-mailbericht van mr. Bloebaum d.d. 26 april 2021, met als bijlage een brief van de waarnemend huisarts van verdachte, [betrokkene 1] d.d. 23 april 2021, verwijzend naar een bijgevoegde uitdraai van een medisch consult d.d. 23 april 2021.

De voorzitter deelt mede dat naar aanleiding van de hiervoor genoemde berichten van mr. Bloebaum, voorafgaand aan deze terechtzitting is bepaald dat de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld maar dat op deze zitting de onderzoekswensen van de raadsvrouw zullen worden besproken. Alle procespartijen zijn hier reeds voorafgaand aan deze terechtzitting van op de hoogte gesteld.

De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld haar onderzoekswensen toe te lichten en deelt mede:

Het is lastig hetgeen ik vandaag het hof ga verzoeken. Ik ben mij er terdege van bewust dat het feit dat de zaak vandaag niet-inhoudelijk zal worden behandeld voor de benadeelde partij erg vervelend is. De hartoperatie die mijn cliënt in november 2020 heeft ondergaan heeft een lang herstel gevergd. Mijn cliënt was lange tijd fysiek niet in staat om bij mij op kantoor te komen om zijn zaak te bespreken. Het leek mij in verband met de Covid-situatie ook niet verstandig dat ik bij cliënt op huisbezoek zou gaan. Uiteindelijk heeft het gesprek met mijn cliënt pas op 13 april 2021 kunnen plaatsvinden. Het bleek toen erg moeilijk om een gesprek met hem te voeren. Het lukte mij niet om tot hem door te dringen en cliënt kwam erg verward over. Zijn echtgenote was bij het gesprek aanwezig. Zij bevestigde mijn indruk en vertelde dat haar man momenteel erg verward is en veel slaapt. Wat de oorzaak daarvan is, is onduidelijk. Gelet op het voorgaande voel ik mij niet gemachtigd om het standpunt van mijn cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak naar voren te brengen. Ik weet ook niet hoe het tuchtrechtelijk zit als ik mijn cliënt gelet op zijn huidige toestand zou vertegenwoordigen tijdens de inhoudelijke zitting. De vraag is dus of mijn cliënt in staat is mij te machtigen om namens hem het woord te voeren. Mijnheer had deze zitting door willen laten gaan. Voor mij is echter niet duidelijk of hij alles wel begrijpt. Ik heb contact gehad met [betrokkene 1] , de waarnemend huisarts van mijn cliënt. Zij heeft laten weten dat er nader onderzoek nodig is om vast te stellen of er sprake is van cognitieve dan wel psychiatrische problematiek en dat dit met de eigen huisarts van mijn cliënt, [betrokkene 2] , zal worden besproken. [betrokkene 1] heeft mijn cliënt in verband met zijn gehoorproblemen doorverwezen naar een audicien of KNO-arts. Daarnaast doet de vraag zich voor of mijn cliënt, mocht het tot een veroordeling komen, detentiegeschikt is. De reclassering heeft gerapporteerd dat zij denken dat mijn cliënt niet in staat is een taakstraf uit te voeren.

Gelet op het voorgaande verzoek ik het hof nader onderzoek te laten verrichten door een psycholoog en/of psychiater naar de geestelijke en lichamelijke toestand van mijn cliënt ter beantwoording van de vraag of mijn cliënt in staat is de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep bij te wonen en ter beantwoording van de vraag of cliënt – indien het hof tot een veroordeling zou komen – geschikt is een (langdurige) detentie te ondergaan en/of een taakstraf uit te voeren.

(...)

De advocaat-generaal gevraagd naar haar standpunt deelt mede:

(...) Met betrekking tot het verzoek tot nader onderzoek naar de detentiegeschiktheid merk ik op dat er heel wat aan de hand moet zijn om iemand detentieongeschikt te achten. De strafrechter buigt zich veelal niet over deze vraag omdat dit een vraag is die in een latere fase dient te worden beantwoord. Beoordeling daarvan vindt plaats in de PI. Ik stel mij gelet op het voorgaande op het standpunt dat er onvoldoende ankers zijn om tot de conclusie te komen dat er sprake is van noodzaak om het door de raadsvrouw verzochte onderzoek door een psycholoog en/of psychiater te gelasten.

De raadsvrouw reageert daarop:

(...) De vraag of iemand al dan niet detentiegeschikt is, is mijns inziens noodzakelijk voor het bepalen van een passende straf en maakt dat er wellicht gezocht kan worden naar andere strafmodaliteiten. Ten aanzien van de medische situatie van mijn cliënt wil ik nog opmerken dat mijn cliënt een hartoperatie heeft moeten ondergaan in verband met een bacteriële ontsteking. Het betreft, als ik het goed verwoord, een aandoening waarbij bacteriële ontstekingen telkens in een andere vorm kunnen terugkeren. Mijn cliënt moet dan met spoed, binnen een paar dagen worden geopereerd.

De advocaat-generaal deelt mede bij haar standpunt te blijven.

(...)

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:

Het hof wijst het verzoek van de raadsvrouw tot nader onderzoek ter beantwoording van de vraag of cliënt in staat is de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak bij te wonen, toe. Het verzoek tot het gelasten van een nader onderzoek ter beantwoording van de vraag of verdachte detentiegeschikt is en/of een taakstraf kan uitvoeren wijst het hof af.”

Het hof heeft het verzoek van de verdediging kennelijk opgevat als een verzoek tot het benoemen van een deskundige door de zittingsrechter of – na verwijzing van de zaak door het hof – door de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris met het oog op nader onderzoek naar (onder meer) de detentiegeschiktheid van de verdachte. Een dergelijk verzoek is een verzoek als bedoeld in artikel 328 in samenhang met artikel 331 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) om gebruik te maken van de bevoegdheid die is omschreven in de tweede volzin van het derde lid van artikel 315 Sv dan wel in artikel 316 Sv. Maatstaf voor de beslissing op zo’n verzoek is telkens of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.

Het hof heeft dit verzoek afgewezen zonder dat het ervan blijk heeft gegeven de hiervoor genoemde maatstaf te hebben aangelegd, terwijl het hof ook niet anderszins redenen heeft genoemd voor de afwijzing van het verzoek. Het hof heeft de afwijzing van het verzoek daarom ontoereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede, derde en vierde cassatiemiddel niet nodig.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2023-0185 NJB 2023/2644 RvdW 2023/1070
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?