HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02959
Datum 3 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Duitsland (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juni 2022, nr. 21/2402 AOW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 20/3446) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Uit artikel 53 van de Algemene Ouderdomswet volgt dat beroep in cassatie niet is opengesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, waarin het gaat om de toepassing van artikel 7a van die Wet. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier S. Joosten, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2023.