HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02182 H
Datum 21 november 2023
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2019, nummer 05-841209-17, ingediend door J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Arnhem,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank Gelderland heeft de aanvrager veroordeeld voor – kort gezegd – belaging, diverse bedreigingen en eenvoudige beledigingen, tot onder meer een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat uit nader opsporingsonderzoek blijkt dat de aangeefster de berichten waarvoor de aanvrager is veroordeeld, zeer waarschijnlijk zelf heeft verstuurd door onder meer gebruik te maken van een betaalde service waarmee uit naam of met het telefoonnummer van een ander, of anoniem, sms-berichten konden worden verzonden.
3. De conclusie van de procureur-generaal
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot de gegrondverklaring van de aanvraag, met een bevel tot (voor zover nodig) de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak en met verwijzing van de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv naar een gerechtshof, opdat deze in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
4. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Op de door de procureur-generaal in zijn conclusie onder 7-12 en 17-44 vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. Dat wil zeggen dat het ernstig vermoeden bestaat dat de rechtbank, als deze hiermee bekend zou zijn geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken. Daarom is de aanvraag gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de rechtbank;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.