ECLI:NL:HR:2023:169

ECLI:NL:HR:2023:169, Hoge Raad, 07-02-2023, 21/02241

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/02241
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2022:1164
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2021:3401
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 18 zaken
Aangehaald door 12 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006622 BWBR0008266

Samenvatting

Rijden onder invloed van alcohol, cannabis en cocaïne, art. 8.5 WVW 1994. 1. Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsman dat er sprake is van “schending van redelijke termijn in hoger beroep (art. 6 EVRM)”? 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van raadsheer van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak heeft gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Gelet op wat raadsman heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn, had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Zo’n beslissing ontbreekt in ‘s hofs uitspraak. HR doet zaak zelf af. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat redelijke termijn van berechting a.b.i. art. 6.1 EVRM bij behandeling van zaak in h.b. met ruim 2 maanden is overschreden. In het licht van opgelegde taakstraf van 40 uren en voorwaardelijke ontzegging van bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor duur van 6 maanden, is er geen aanleiding om aan oordeel dat bij berechting van zaak in h.b. de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. HR zal daarom met dat oordeel volstaan. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02241

Datum 7 februari 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 mei 2021, nummer 20-000569-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van de raadsheer die de bestreden uitspraak heeft gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep op overschrijding van de redelijke termijn dat namens de verdachte is gedaan.

Bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden heeft de raadsman van de verdachte volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar onder meer het volgende aangevoerd:

“Ik meen dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in hoger beroep is geschonden.”

Verder heeft de raadsman van de verdachte volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Subsidiair: straftoemeting

14. Er is sprake van schending van de redelijke termijn in hoger beroep (art. 6 EVRM).”

Gelet op wat de raadsman heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met ruim twee maanden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van 40 uur en de geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. De Hoge Raad zal daarom met dat oordeel volstaan.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2023/226
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?