HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03137
Datum 7 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2021, nummer 22-000965-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.G. Cantarella en J.G.W.M. Lut, beiden advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“1. Cliënt is op 7 februari 2020 door de politierechter bij verstek veroordeeld voor overtreding van artikel 9, vijfde lid, WVW. Tegen voormeld vonnis is op 13 maart 2020 namens cliënt hoger beroep ingesteld nu cliënt op 7 februari 2020 in Frankrijk gedetineerd zat (...)
Ontvankelijkheid in hoger beroep
2. Door de verdediging wordt niet betwist dat de dagvaarding in eerste aanleg op 28 december 2019 in persoon aan cliënt is uitgereikt. Evenmin wordt betwist dat niet binnen de geldende termijn ex artikel 408, eerste lid, Sv hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Blijkens staande jurisprudentie dient het voorgaande niet tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep te leiden wanneer er sprake is van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
3. Cliënt is in eerste aanleg niet door een raadsman bijgestaan. Vervolgens is cliënt zelf op 27 januari 2020, kort voor de zitting, in hechtenis genomen in Frankrijk. Daar heeft hij geruime tijd verbleven. Het behoeft volgens de verdediging geen uitleg dat deze detentie communicatie, in de vorm van een aanhoudingsverzoek of het instellen van hoger beroep, in ernstige mate bemoeilijkt en cliënts aandacht gericht was op het beëindigen van de detentie in Frankrijk. Bij de beoordeling van deze omstandigheden dient bovendien te worden betrokken dat cliënt er niet zonder meer van had mogen uitgaan dat de zaak op 7 februari 2020, buiten zijn aanwezigheid vanwege zijn detentie, zou worden afgedaan. Dat cliënt daar ook niet van uit ging blijkt mijns inziens uit de omstandigheid dat het niet cliënt zelf is geweest die contact heeft opgenomen om hoger beroep in te stellen, maar de vrouw van cliënt die aan de bel heeft getrokken nadat zij een brief over de uitspraak ontving.
4. Gelet op het voorgaande is er naar de mening van de verdediging sprake van bijzondere, niet aan cliënt toe te rekenen, omstandigheden die overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Mijns inziens is cliënt dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.”
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:
“De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de politierechter, is op 28 december 2019 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De verdachte was dus op de hoogte van de terechtzitting. Het hof stelt verder vast dat de verdachte er in het procesdossier blijk van heeft gegeven de Nederlandse taal te beheersen. Dit betekent dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van 7 februari 2020 hoger beroep had moeten instellen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een verschoonbare overschrijding van deze termijn. De verdachte moet derhalve niet-ontvankelijk in het hoger beroep worden verklaard.”
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587). Als duidelijk en gemotiveerd het verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, moet de rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk de redenen van die beslissing geven (vgl. HR 22 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700).
Het hof heeft geoordeeld dat ‘niet is gebleken van een verschoonbare overschrijding’ van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Dat oordeel is, in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet toereikend gemotiveerd nu het hof niet in zijn overwegingen heeft betrokken wat door de raadsman van de verdachte is aangevoerd.
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2023.