ECLI:NL:HR:2023:387

ECLI:NL:HR:2023:387, Hoge Raad, 14-03-2023, 22/00185

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-03-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/00185
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2023:86
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 6 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006622

Samenvatting

Beklag, beslag ex 94 Sv op bromfiets onder broer van klager t.z.v. verdenking van rijden zonder rijbewijs. Had klager (derde-belanghebbende die geen verdachte is in strafzaak) redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zijn bromfiets door zijn broer (verdachte) i.v.m. strafbaar feit zou worden gebruikt? Art. 33a.2.a Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:3212 m.b.t. toepasselijke maatstaf bij klaagschrift van ander dan beslagene tegen ex art. 94 Sv gelegd beslag. Rb heeft bij haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen bromfiets zal bevelen, tot uitgangspunt genomen dat die verbeurdverklaring door strafrechter zal kunnen plaatsvinden o.g.v. art. 33a.2 Sr. O.g.v. deze bepaling is verbeurdverklaring van voorwerp dat aan ander dan verdachte of veroordeelde toebehoort, onder meer mogelijk als die ander bekend was met gebruik van voorwerp dan wel gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Door bij beoordeling daarvan beslissend te achten dat klager “maatregelen [had] moeten treffen om te voorkomen dat zijn broer opnieuw zijn bromfiets zou gaan gebruiken zonder in het bezit te zijn van geldig rijbewijs”, heeft Rb haar oordeel niet toereikend gemotiveerd. Rb had bij oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen bromfiets zal bevelen, immers moeten betrekken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter daarbij ook tot oordeel zal komen dat klager bekend was met gebruik van bromfiets voor rijden zonder rijbewijs door verdachte op pleegdatum dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In dat verband is nog van belang dat namens klager bij behandeling in raadkamer is aangevoerd dat hij zijn broer geen toestemming had gegeven bromfiets te gaan gebruiken en dat hij sleutel van bromfiets in zijn jaszak bewaarde. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/00185 B

Datum 14 maart 2023

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 oktober 2021, nummer RK 21/012264, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

hierna: de klager.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R.J.M. Oerlemans, advocaat te ’sHertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag tegen het op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onder de broer van de klager gelegde beslag op de bromfiets van de klager.

De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“Inleiding

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 3 augustus 2021 onder de broer van klager, [betrokkene 1], gelegde beslag op een bromfiets (Piaggio Vespa Sprint met kenteken [kenteken]) en de teruggave daarvan aan klager.

(...)

De officier van justitie heeft aangegeven dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden omdat het openbaar ministerie te zijner tijd ter terechtzitting verbeurdverklaring van de bromfiets zal vorderen.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na genoemde inbeslagneming.

Naar het oordeel van de rechter verzet het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag op voornoemde bromfiets. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is naar het oordeel van de rechter gebleken dat de broer van klager wordt verdacht van het op 24 juli 2021 besturen van een bromfiets zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Tevens is uit de stukken en het verhandelde in raadkamer gebleken dat de broer van klager twee keer eerder staande is gehouden wegens rijden zonder rijbewijs op een voertuig van klager. Ingevolge artikel 33a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen voorwerpen die niet aan een veroordeelde toebehoren onder andere verbeurd worden verklaard indien de eigenaar van het voorwerp bekend was of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het voorwerp gebruikt zou worden in verband met het plegen van een strafbaar feit. Nu is gebleken dat de scooter van klager op 23 juni 2021 eveneens in beslag is genomen omdat zijn broer er op gereden zou hebben zonder geldig rijbewijs en klager tijdens het ophalen van zijn scooter is gewaarschuwd dat zijn scooter in beslag genomen zou worden ter verbeurdverklaring indien opnieuw op de scooter zou worden gereden zonder rijbewijs, is de rechter van oordeel dat voornoemd wetsartikel van toepassing is. Klager had maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat zijn broer opnieuw zijn bromfiets zou gaan gebruiken zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs.

Gelet op het voorgaande acht de rechter het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een strafrechter, later oordelend, voornoemde bromfiets verbeurd zal verklaren. De rechter zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”

Artikel 33a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien:

a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden (...).”

Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag moet de rechter - ook als het klaagschrift afkomstig is van een ander dan de beslagene - a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Het belang van strafvordering vordert bijvoorbeeld het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. (Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3212, rechtsoverweging 2.3.)

De rechtbank heeft bij haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen bromfiets zal bevelen, tot uitgangspunt genomen dat die verbeurdverklaring door de strafrechter in dit geval zal kunnen plaatsvinden op grond van artikel 33a lid 2 Sr. Op grond van deze bepaling is verbeurdverklaring van een voorwerp dat aan een ander dan de verdachte of de veroordeelde toebehoort, onder meer mogelijk als die ander bekend was met het gebruik van het voorwerp, dan wel het gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Door bij de beoordeling daarvan beslissend te achten dat de klager “maatregelen [had] moeten treffen om te voorkomen dat zijn broer opnieuw zijn bromfiets zou gaan gebruiken zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs”, heeft de rechtbank haar oordeel niet toereikend gemotiveerd. De rechtbank had bij het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen bromfiets zal bevelen, immers moeten betrekken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter daarbij ook tot het oordeel zal komen dat de klager bekend was met het gebruik van de bromfiets voor het rijden zonder rijbewijs door de verdachte op 24 juli 2021, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In dat verband is nog van belang dat namens de klager bij de behandeling in raadkamer is aangevoerd dat hij zijn broer geen toestemming had gegeven de bromfiets te gaan gebruiken en dat hij de sleutel van de bromfiets in zijn jaszak bewaarde.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2023-0064 RvdW 2023/368
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?