HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/01564 Pw
Datum 20 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door K.M. van der Boor,
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2022, nrs. 20/1294 PW, 20/1295 PW en 20/2622 PW, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (nrs. 19/3500, 19/4769 en 19/6561) betreffende besluiten van het college van de burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis ingevolge de Participatiewet.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen.
De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2023.