HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02741
Datum 11 april 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2021, nummer 21-006742-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte politieambtenaar [aangeefster] ‘ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening’ heeft beledigd, ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 1 juli 2019 te Almere, opzettelijk een politieambtenaar, te weten [aangeefster], ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in het openbaar bij geschrift, heeft beledigd, door die [aangeefster] (indirect en via een bericht op LinkedIn gericht aan [verbalisant 1]) de woorden toe te voegen: “[aangeefster] is een jodenhaater!”.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], nummer PL0900-2019194767-1, opgemaakt door [verbalisant 2], werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland en gesloten op 2 juli 2019, onder meer inhoudende (pagina 1 e.v.):
Ik doe aangifte van smaad/ laster gepleegd op maandag 1 juli 2019.
Op deze datum en tijd werd mij bekend dat er door [verdachte] een openbaar bericht geplaatst was op LinkedIn met onder andere de tekst:
“[aangeefster] is een Jodenhater”.
Dit betreft een openbaar bericht op internet wat voor iedereen te lezen is. Door deze tekst voelde ik mij in mijn eer en goede naam aangetast. "
2. het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, nummer PL0900-20194767-2, opgemaakt door [aangeefster], werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland en gesloten op 2 juli 2019, onder meer inhoudende (pagina 4 e.v.):
Op maandag 1 juli 2019, ontving ik een whatsapp bericht van mijn collega [verbalisant 1].
Ik las dat collega [verbalisant 1] schreef dat iemand iets had gezet onder zijn openbare bericht op LinkedIn.
Onder de tekst van mijn collega [verbalisant 1] stond het volgende: “ [verdachte] : [aangeefster] ken ik heel erg goed, kan mij dan ook niet voorstellen dat je juist met haar een educatief prog gaat opzetten... [aangeefster] is een jodenhaater!...”
Ik voel mij door die tekst in mijn goede naam en eer aangetast. Ik vind het heel erg, omdat het een openbaar bericht is wat iedereen kan lezen op internet. Mijn collega [verbalisant 1] heeft een heel groot bereik op LinkedIn.
3. het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte, nummer PL0900-20194767-4, opgemaakt door [verbalisant 3], werkzaam bij de politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 4], werkzaam bij politie Eenheid Midden-Nederland en gesloten op 16 juli 2019, onder meer inhoudende (pagina 9 e.v.):
V: Weet u waarvoor u ontboden bent om een verdachtenverhoor af te leggen?
A: Ik heb woord alleen gelezen, belediging, verder weet ik niets. Ik kan wel gokken. Het begon op internet. Ik weet de datum niet precies maar het was rond 1 juli 2019. Het speelt zich af met LinkedIn. Ik heb een 'vriendschap' met [verbalisant 1] op LinkedIn. Het begon met een schriftelijke conversatie op een pagina van LinkedIn waarin [verbalisant 1] zegt van 'ik heb een afspraak met [aangeefster]". En het gaat om deze [aangeefster].
V: De opmerking die u gemaakt heeft op LinkedIn over [aangeefster]. Heeft U zich gerealiseerd dat heel veel mensen dit kunnen lezen?
A: Als het om de opmerking Jodenhater gaat, maakt het me niet zo heel veel uit hoe de rechten of plichten van tegenpartij zijn.
V: [verbalisant 1] heeft samen met [aangeefster] een educatief programma opgezet over Anne Frank. U heeft op het internet gezet: "[aangeefster] ken ik heel er goed, ik kan mij ook niet voorstellen dat je juist met haar een educatief prog gaat opzetten. [aangeefster] is een Jodenhaater!...:
A: Ik vind dat [verbalisant 1], als hij een heldhaftig karakter had gehad, had hij mij gevraagd wat ik bedoelde. Maar hij heeft mij adhoc van zijn account afgegooid. Als het zo zwaarwegend was geweest had dit me moeten worden gevraagd. Ik vind dit fout van [verbalisant 1].”
In het door het hof bevestigde vonnis is ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“ Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, dat:
- de aan verdachte bekende politieman [verbalisant 1] verslag doet van een politie-activiteit, waaraan zijn collega [aangeefster] heeft meegewerkt;
- op dat verslag heeft verdachte publiekelijk gereageerd, en heeft hij zijn verbazing daarover geuit omdat [aangeefster] zich zou hebben bezondigd aan “jodenhaat”;
- [aangeefster] daardoor in de eer en goede naam is aangerand.
(...)
Naar het oordeel van de politierechter is wat door verdachte over [aangeefster] is geschreven op zichzelf beschouwd beledigend en bovendien ondubbelzinnig gekoppeld aan de persoon van [aangeefster], in de context van haar politiewerk.”
Artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) houdt in dat de in artikel 266 lid 1 Sr – een klachtmisdrijf – op eenvoudige belediging gestelde gevangenisstraf van drie maanden met een derde kan worden verhoogd als de belediging wordt aangedaan aan “een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”. Zo heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat die strafverhoging uitsluitend in aanmerking komt indien tussen de belediging en de uitoefening van de bediening een temporeel verband bestaat dan wel de belediging met betrekking tot de uitoefening van de bediening is gedaan. De hiervoor bedoelde relatie moet betrekking hebben op de uitoefening van zijn bediening, en dus niet op de enkele hoedanigheid van de ambtenaar. (Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2394.)
Anders dan het hof heeft overwogen, volgt uit de bewijsmiddelen niet dat sprake was van “een politie-activiteit, waaraan zijn collega [aangeefster] heeft meegewerkt”. De bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de belediging is gedaan ‘ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening’, is dus ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2023.