HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03786
Datum 16 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 augustus 2021, nummer 21-003708-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen en dat de raadsman van de verdachte evenmin is verschenen. Het houdt verder het volgende in:
“De griffier heeft op verzoek van de voorzitter om 11.30 uur, het aanvangstijdstip van de zitting, telefonisch contact gezocht met de raadsman van verdachte, welke oproep onbeantwoord is gebleven. Hierop heeft de griffier telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Een medewerker van het kantoor gaf aan dat mr. A.L. Rinsma op vakantie is en derhalve niet ter zitting zal verschijnen. De zaak zou worden waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. M.H.A. Horsch (hierna: mr. Horsch), waarop de griffier is doorverbonden met mr. Horsch. Door mr. Horsch is aan de griffier medegedeeld, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen spreken en dat hij niet was gemachtigd om de verdediging te voeren. Mr. Horsch gaf aan dat hij zijn cliënt evenwel net telefonisch heeft gesproken en dat zijn cliënt heeft aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht in het bijzijn van zijn raadsman. Tevens gaf mr. Horsch aan dat hij per e-mail een aanhoudingsverzoek zal doen.
De voorzitter merkt op dat mr. Horsch inderdaad zojuist, heden om 11:33 uur, per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft ingediend. Deze e-mail is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. Mr. Horsch geeft in deze e-mail aan dat hij voor het eerst heden contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen en zijn cliënt hem heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.
(...)
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede:
Het door mr. Horsch ingediende aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek. Het is het hof niet gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Tevens leidt het hof uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek af dat mr. Horsch niet van plan was om heden ter zitting te verschijnen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
De bijlage van het proces-verbaal van de terechtzitting (e-mail met aanhoudingsverzoek) houdt het volgende in:
“Ondergetekende had tot zojuist geen contact met cliënt kunnen verkrijgen en zou – wegens het niet gemachtigd zijn – ook niet ter zitting verschijnen. Zojuist belde cliënt dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht c.q. wenst te worden bijgestaan door zijn raadsman. Het is dan ook hierom dat ik u verzoek de zaak ter zitting tot een nader te bepalen datum aan te houden.”
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
Het hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de raadsman niet concreet de omstandigheid heeft aangevoerd die ten grondslag ligt aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting dat namens de verdachte is gedaan, zodat het verzoek moet worden afgewezen. In aanmerking genomen dat de raadsman slechts een verklaring heeft gegeven dat hij zojuist pas contact heeft kunnen leggen met de verdachte en verder uitsluitend heeft volstaan met de stelling dat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2023.