ECLI:NL:HR:2023:73

ECLI:NL:HR:2023:73, Hoge Raad, 07-02-2023, 21/03888

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 07-02-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/03888
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2022:1162
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 en 94a Sv op geld op bankrekening op naam van klaagster (vennootschap onder firma) i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen vennoot naar gewoontewitwassen. 1. Is het hoogst onwaarschijnlijk dat strafrechter, later oordelend, geld op bankrekening op naam van klaagster verbeurd zal verklaren? 2. Vatbaarheid bankrekening van klaagster voor verhaal van aan vennoot op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 en HR:2020:1971 m.b.t. toepasselijke maatstaf i.g.v. beslag ex art. 94 Sv. Rb heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, geld dat op bankrekening staat, zal verbeurd verklaren. In dit verband heeft Rb vastgesteld dat een van vennoten van klaagster verdachte is in lopend strafrechtelijk onderzoek. Hij zou zich hebben beziggehouden met grootschalige criminele handel in cryptotelefoons en wordt verdacht van gewoontewitwassen over meerdere jaren. In strafrechtelijk onderzoek is vermoeden gerezen dat klaagster betrokken is bij deze verdenking. Adres van klaagster diende als afleveradres van mobiele cryptotelefoons. Er zijn abonnementen afgesloten op naam van klaagster en betaald via rekening van klaagster. Op rekeningen van klaagster vinden contante stortingen en transacties plaats waarvan herkomst nog niet is vastgesteld. Verder vinden bij- en afschrijvingen plaats die volgens onderzoeksteam erg hoog lijken voor onderneming als klaagster. In beschikking van Rb ligt als haar oordeel besloten dat het onder deze omstandigheden, die erop neerkomen dat t.a.v. klaagster vermoeden bestaat van strafbare betrokkenheid bij gewoontewitwassen, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter geld op bankrekening verbeurd zal verklaren. Oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. Rb heeft vastgesteld dat o.g.v. art. 94a Sv gelegde beslag is gelegd op bankrekening die op naam van klaagster is gesteld en dat A één van de vennoten is van klaagster. Uit vaststellingen van Rb volgt verder dat beslag betrekking heeft op door A verschuldigde betalingsverplichting die kan ontstaan door oplegging aan hem van geldboete of ontnemingsmaatregel. Vermogen dat is bestemd voor bedrijf van vennootschap onder firma, is afgescheiden van privévermogens van de vennoten. Op afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan i.h.k.v. door vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. (Vgl. HR:2019:649) Kennelijke oordeel van Rb dat op naam van klaagster gestelde bankrekening zonder meer vatbaar is voor verhaal van aan A op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel, is niet toereikend gemotiveerd, nu Rb niet nader is ingegaan op stelling van klaagster dat bankrekening waarop beslag is gelegd, verband houdt met bedrijf van klaagster als vennootschap onder firma. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Rb heeft ongegrondverklaring van beklag van klaagster - en daarmee niet-geven van last tot teruggave - tevens doen steunen op haar niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde oordeel dat belang van strafvordering voortduren van o.g.v. art. 94 Sv gelegde beslag vordert. Gelet hierop heeft klaagster onvoldoende belang bij vernietiging van bestreden beschikking op dit punt en terugwijzing van zaak naar Rb. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/03888 B

Datum 7 februari 2023

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 30 augustus 2021, nummer RK 20/007009, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: de klaagster.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft W.A.J.A. Welten, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing van het beslag op (het saldo van) een bankrekening, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“Feiten en omstandigheden.

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 juli 2020 is onder [betrokkene 1] beslag gelegd ex artikel 94 Sv op de ING rekening [rekeningnummer] op naam van [klaagster] waarop het saldo volgens klaagster € 48.800,- bedroeg. Op 24 augustus 2020 is tevens met daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris op de voet van artikel 94a Sv conservatoir beslag gelegd op voornoemde bankrekening en geldbedrag. Beide beslagen duren nog voort.

[betrokkene 1] is één van de drie vennoten van [klaagster]. [betrokkene 1] is verdachte in een strafrechtelijk onderzoek dat nog loopt. Hij zou zich hebben beziggehouden met grootschalige criminele handel in cryptotelefoons. Hij wordt verdacht van gewoontewitwassen van grote geldbedragen over meerdere jaren (artikelen 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht). In dit onderzoek is het vermoeden gerezen dat [klaagster] betrokken is bij deze verdenking. Het adres van [klaagster] diende als afleveradres van mobiele cryptotelefoons. Er zijn abonnementen afgesloten op naam van [klaagster] en betaald via de rekening van [klaagster]. Op de rekeningen van [klaagster] vinden contante stortingen en transacties plaats waarvan de herkomst nog niet is vastgesteld. Verder vinden bij- en afschrijvingen plaats die volgens het onderzoeksteam erg hoog lijken voor een onderneming als [klaagster]. [betrokkene 1] heeft zich in de verhoren op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer met betrekking tot een klaagschrift als de onderhavige een summier karakter draagt en dat mitsdien niet wordt gevergd ten gronde te treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure (HR 28 september 2010, LJN:BL2823).

Toetsingskader artikel 94 Sv.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geld dat op de bankrekening staat zal verbeurd verklaren.

Toetsingskader artikel 94a Sv.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de klager gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken, of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave worden gelast.

Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

[betrokkene 1], één van de vennoten van [klaagster], wordt verdacht van gewoontewitwassen, waarbij het vermoeden bestaat dat de beslagen bankrekening daarbij is betrokken. [betrokkene 1] is als vennoot van [klaagster] (mede)eigenaar van het geld dat op die bankrekening staat. Gewoontewitwassen is een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend aan [betrokkene 1] een geldboete dan wel de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich ook om deze reden verzet tegen opheffing van het beslag.”

Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat de rechtbank ten aanzien van het op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gelegde beslag onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

De rechtbank heeft vastgesteld dat onder [betrokkene 1] op grond van (onder meer) artikel 94 Sv beslag is gelegd op de in de beschikking van de rechtbank vermelde bankrekening op naam van de klaagster, waarvan het saldo volgens de klaagster aan haar toebehoort. Daarmee doet zich het geval voor dat een ander dan de beslagene stelt de rechthebbende te zijn en zich bij de rechtbank beklaagt over het voortduren van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. In zo’n geval moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de klaagster als deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.)

Volgens artikel 94 lid 2 Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming onder meer alle voorwerpen waarvan verbeurdverklaring kan worden bevolen, dus ook verbeurdverklaring in een andere strafzaak dan die tegen degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen (vgl. HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1971).

De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geld dat op de bankrekening staat, zal verbeurd verklaren. In dit verband heeft de rechtbank het volgende vastgesteld. Een van de vennoten van de klaagster, [betrokkene 1], is verdachte in een lopend strafrechtelijk onderzoek. Hij zou zich hebben beziggehouden met grootschalige criminele handel in cryptotelefoons en wordt verdacht van gewoontewitwassen over meerdere jaren. In dit strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden gerezen dat de klaagster betrokken is bij deze verdenking. Het adres van de klaagster diende als afleveradres van mobiele cryptotelefoons. Er zijn abonnementen afgesloten op naam van de klaagster en betaald via de rekening van de klaagster. Op de rekeningen van de klaagster vinden contante stortingen en transacties plaats waarvan de herkomst nog niet is vastgesteld. Verder vinden bij- en afschrijvingen plaats die volgens het onderzoeksteam erg hoog lijken voor een onderneming als de klaagster.

In de beschikking van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het onder deze omstandigheden, die erop neerkomen dat ten aanzien van de klaagster het vermoeden bestaat van strafbare betrokkenheid bij gewoontewitwassen, niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter het geld op de bankrekening verbeurd zal verklaren. Dat oordeel is, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

Het cassatiemiddel klaagt verder dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift voor zover dat is gericht tegen het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag, een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het op grond van artikel 94a Sv gelegde beslag is gelegd op (het saldo van) een bankrekening die op naam van de klaagster - een vennootschap onder firma - is gesteld en dat [betrokkene 1] één van de vennoten is van deze vennootschap onder firma. Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt verder dat dit beslag betrekking heeft op een door [betrokkene 1] verschuldigde betalingsverplichting die kan ontstaan door de oplegging aan hem van een geldboete of ontnemingsmaatregel.

Het vermogen dat is bestemd voor het bedrijf van een vennootschap onder firma, is afgescheiden van de privévermogens van de vennoten. Op dit afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan in het kader van het door de vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. (Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, rechtsoverweging 3.4.1.)

Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat (het saldo van) de op naam van de klaagster gestelde bankrekening zonder meer vatbaar is voor verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel, is niet toereikend gemotiveerd, nu de rechtbank niet nader is ingegaan op de stelling van de klaagster dat (het saldo van) de bankrekening waarop het beslag is gelegd, verband houdt met het bedrijf van de klaagster als vennootschap onder firma.

Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. De rechtbank heeft de ongegrondverklaring van het beklag van de klaagster - en daarmee het niet-geven van een last tot teruggave - tevens doen steunen op haar niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde oordeel dat het belang van strafvordering het voortduren van het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag vordert. Gelet hierop heeft de klaagster onvoldoende belang bij vernietiging van de bestreden beschikking op het onder 2.8.3 besproken punt en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2023/228
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?