HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03693
Datum 27 juni 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 september 2022, nummer 22-002225-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest doch uitsluitend voor zover het de negende voorwaarde betreft en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve opmerking over de sanctieoplegging
Aan de verdachte is een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 tot en met 25 over de toepassing van ambtshalve cassatie in verband met een van die voorwaarden merkt de Hoge Raad het volgende op. In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad overwogen dat hij zijn bevoegdheid tot ambtshalve cassatie op grond van artikel 440 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering tegenwoordig bijzonder spaarzaam toepast. Bij een beperkte capaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaak om strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, ligt het immers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op de ingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachten moeten worden ingediend door een raadsman of door het openbaar ministerie, de Hoge Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan dat misslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijven van een daarop toegespitste klacht kan berusten op een weloverwogen keuze. (Vgl. in enigszins andere bewoordingen HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146.) Dat is ook geen onredelijke veronderstelling in een geval zoals dit waarin het gaat om de aanvaardbaarheid van aan de sanctieoplegging verbonden voorwaarden. Dat thema wordt dus tegenwoordig in beginsel niet ambtshalve onderzocht en beoordeeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2023.