HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02591
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 juli 2022, nummer 20-003163-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat in Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof heeft verzuimd een rechtsgevolg te verbinden aan de door het hof geconstateerde overschrijding die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn overwogen:
“Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is neergelegd dat een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht heeft op een behandeling binnen redelijke termijn.
Procedure in eerste aanleg:
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de complexiteit van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In strafzaken vangt de redelijke termijn aan op het moment dat vanwege de Staat der Nederlanden jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zal worden ingesteld. Naar het oordeel van het hof heeft het verhoor van de verdachte in Albanië op 30 september 2015 - zoals door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is geopperd - in de onderhavige zaak niet als een zodanige handeling te gelden. Dit verhoor vond destijds plaats door een Albanese rechercheur in aanwezigheid van Nederlandse politieagenten. Het hof is van oordeel dat de verdachte aan dit verhoor niet in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zou worden ingesteld. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte ook geen bekennende verklaring afgelegd. Het hof zal derhalve bij de beoordeling of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg uitgaan van de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten 15 september 2017.
Het hof stelt vast dat nu de rechtbank vonnis heeft gewezen op 8 oktober 2019, de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met ongeveer 9 maanden.
Bij de bepaling van de redelijkheid van de duur van de procedure heeft het hof gelet op de complexiteit van de zaak en de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging een aantal getuigen door de rechter-commissaris zijn gehoord die zich in het buitenland bevonden. Voorts heeft de gezondheidstoestand van de medeverdachte tot vertraging geleid in deze zaak die gelijktijdig is berecht met de zaak tegen de medeverdachte. Naar het oordeel van het hof is dan ook sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 6 maanden wordt verlengd.
Procedure in hoger beroep
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 14 oktober 2019 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte. Het hof wijst heden, op 8 juli 2022, arrest.
De behandeling in hoger beroep is ‑ gelet op de in beginsel geldende termijn van 16 maanden ‑ derhalve overschreden met ongeveer 17 maanden. Het hof stelt vast dat een deel van de overschrijding, onder andere in verband met de beperkte beschikbaarheid van de raadsman voor de inhoudelijke behandeling van de zaak, toe te rekenen is aan de verdediging. Nu echter de overschrijding van de redelijke termijn niet alleen te wijten is aan de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop, is het hof van oordeel dat deze overschrijding deels verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
Het hof zal derhalve de op te leggen gevangenisstraf verminderen met 1 jaar en de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest.”
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met ongeveer negen maanden, maar dat naar het oordeel van het hof sprake is van bijzondere omstandigheden “die rechtvaardigen dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 6 maanden wordt verlengd”. Daarnaast heeft het hof afzonderlijk het tijdsverloop in hoger beroep beoordeeld en vastgesteld dat ook in de appelfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de op te leggen gevangenisstraf met één jaar moet worden verminderd, zonder dat die vermindering daarbij specifiek is verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg dan wel in hoger beroep. De klacht dat het hof geen rechtsgevolg heeft verbonden aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, mist daarom feitelijke grondslag.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeventien jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zestien jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.