HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02314 H
Datum 24 september 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 december 2022, nummer 21-006932-16, ingediend door M.M. van der Marel, advocaat in Eindhoven,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft in hoger beroep ‑ met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Overijssel van 16 december 2016 ‑ de aanvrager veroordeeld voor 1. “medeplegen van bedrieglijke bankbreuk” en “in het geval van faillissement of in het vooruitzicht daarvan, terwijl dat faillissement is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers, enig goed aan de boedel onttrekken”, 2. “medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd” en 3. “schuldwitwassen, meermalen gepleegd” en “schuldwitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven” tot een gevangenisstraf van achttien maanden.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
In de aanvraag wordt aangevoerd dat, als het hof zou hebben kennisgenomen van het arrest van de civiele kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024 waarin de aanvrager (in relatie tot het in de strafzaak bewezenverklaarde) is veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 615.534,23 aan Coöperatieve Rabobank U.A., het een lagere straf of geen straf aan de aanvrager zou hebben opgelegd, nu het hof bij de strafoplegging is uitgegaan van een hoger benadelingsbedrag. Daarmee wordt echter miskend dat onder ‘een minder zware strafbepaling’ in de zin van artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv moet worden verstaan een strafbepaling met een minder zware strafbedreiging. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
De aanvraag is kennelijk ongegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2024.