HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02993
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2021, nummer 22-001204-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboortedatum] op [geboorteplaats] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het hoger beroep te laat is ingesteld.
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden kort samengevat in dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld, de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 oktober 2020 om 10:30 uur niet in persoon aan hem is uitgereikt, het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 7 oktober 2020 en namens de verdachte hoger beroep is ingesteld op 23 april 2021.
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep Gelet op de inhoud van het zich in het dossier bevindende e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 alsmede de aan de centrale balie gerichte brief van de verdachte van 20 april 2021, is het hof van oordeel dat de in artikel 408 lid 1 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering genoemde omstandigheid zich voordoet. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het vonnis waarvan beroep van 7 oktober 2020 in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter pas op 23 april 2021 hoger beroep ingesteld, zodat hij in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”
Het door het hof bedoelde e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021, dat is verzonden naar het algemene e-mailadres van het hof/ressortsparket, houdt onder meer in:
“Met dit schrijven dien ik een verzoek in om mijn zitting op 16-07-2021 ter rechtbank (de Hoge Raad begrijpt: hof) Den Haag o.v.v. parketnummer 22-001204-21, met spoed te verplaatsen naar een andere datum. Dit vanwege het feit dat ik 1 dag van te voren (vandaag) de zitting oproep heb mogen ontvangen per post. Dit geeft mij geen mogelijkheid om mij redelijkerwijs te kunnen verdedigen in mijn zaak. Vanwege dit korte tijdsbestek wat mij is gegeven is het mij onmogelijk gemaakt dat mijn advocaat mij kan bijstaan in mijn zaak. Morgen dient mijn hoger beroep waarbij ik door de voorgaande rechtbank bij verstek ben veroordeeld onder dezelfde omstandigheden als nu met de oproep. Ik heb recht op een advocaat en recht om mijzelf te verdedigen. Tevens is het morgen een werkdag voor mij. Ik hoop dat u gehoor geeft aan mijn verzoek.”
De door het hof bedoelde brief van de verdachte van 20 april 2021, die aan de “akte instellen hoger beroep” is gehecht en is gericht aan de centrale balie, houdt onder meer in:
“Ik [verdachte] wil graag in beroep tegen zaak 96-100927-20. De reden is ik kreeg de (beschikking) pas op de dag (oproep) dat de recht zitting was dus ik kon er niet op tijd meer heen.”
Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;(...)2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
In het licht van de geschiedenis van deze bepaling brengt een redelijke wetsuitleg mee dat artikel 408 lid 1, aanhef en onder c, Sv inhoudt dat als zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de dag van de terechtzitting of de nadere terechtzitting de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting of die nadere terechtzitting bekend was, de beroepstermijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt. Die bepaling strekt immers niet ertoe te bewerkstelligen dat de verdachte na het bekend raken met de dag van de terechtzitting nog de mogelijkheid heeft te verschijnen op die terechtzitting, maar betreft de omstandigheid of van de verdachte in redelijkheid kan worden verwacht dat hij naar aanleiding van deze wetenschap het nodige zal doen om zich op de hoogte te stellen van het verdere verloop van zijn strafzaak. (Vgl. HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2316.)
Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat zich gelet op de inhoud van het e-mailbericht van de verdachte van 15 juli 2021 en de brief van de verdachte van 20 april 2021 een omstandigheid als bedoeld in artikel 408 lid 1, aanhef en onder c, Sv heeft voorgedaan die zou meebrengen dat de verdachte binnen veertien dagen na het vonnis van de rechtbank hoger beroep had moeten instellen, is niet zonder meer begrijpelijk. Uit deze stukken noch anderszins blijkt immers dat de dag van de terechtzitting in eerste aanleg de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die terechtzitting op 7 oktober 2020 bekend was.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.