ECLI:NL:HR:2024:1453

ECLI:NL:HR:2024:1453, Hoge Raad, 15-10-2024, 21/05039

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 15-10-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/05039
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:664
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2021:11152
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 20 zaken
Aangehaald door 7 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0009709 BWBR0043413

Samenvatting

Grootschalige DigiD-fraude met huur- en/of zorgtoeslagen. Medeplegen diefstal (d.m.v. valse sleutels), meermalen gepleegd (art. 311.1 Sr), medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr), medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en deelneming aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr). Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Kon hof volstaan met vermindering van gevangenisstraf van 16 maanden naar 14 maanden? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn en regel dat tijdsverloop tijdens e.a. en h.b. afzonderlijk beoordeeld moet worden. Door bij beoordeling van vraag of behandeling van zaak binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op omstandigheid dat “overschrijding van redelijke termijn in fase van behandeling van strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep (…) inmiddels ruim drie jaren en negen maanden bedraagt”, heeft hof dit beoordelingskader miskend. HR doet zaak zelf af en vermindert (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) opgelegde gevangenisstraf van 14 maanden met 1 maand. Samenhang met 21/05025.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/05039

Datum 15 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2021, nummer 21-002100-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar bevind van zaken en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het achtste en het negende cassatiemiddel

Het achtste cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden, het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld. Het negende cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het hof heeft het volgende overwogen over de redelijke termijn:

“Op grond van het bovenstaande en bezien vanuit een oogpunt van normhandhaving en vergelding wordt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden geacht. Rekening dient echter te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep, welke vertraging niet enkel en alleen aan de verdachte of de verdediging te wijten is en die inmiddels ruim drie jaren en negen maanden bedraagt. Gelet hierop zal het gerechtshof in plaats van de hierboven genoemde straf opleggen een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.”

Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.16.)

Door bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op de omstandigheid dat “de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep (...) inmiddels ruim drie jaren en negen maanden bedraagt”, heeft het hof dit beoordelingskader miskend. Het achtste cassatiemiddel klaagt daarover terecht.

Ook het negende cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Door de vertraging die is opgetreden bij het inzenden van de stukken doet de Hoge Raad bovendien uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden.

3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze dertien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2024-0237 NJB 2024/2156 RvdW 2024/981
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?