HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00591 B
Datum 22 oktober 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2023, nummer RK 23/017837, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 waarbij een klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave van de in die beschikking genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, gegrond is verklaard.
Nadat de advocaat-generaal haar conclusie had genomen, heeft het openbaar ministerie bij brief van 8 oktober 2024 aan de griffie van de Hoge Raad laten weten dat opdracht is gegeven het beslag te beëindigen. Dit brengt met zich dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij een oordeel van de Hoge Raad over het voorgestelde cassatiemiddel. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.