HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01537
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 april 2022, nummer 20-002552-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C.H. Pronk, advocaat in Apeldoorn, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat [benadeelde] op grond van de hem verstrekte volmacht bevoegd is de benadeelde partij te vertegenwoordigen in de strafzaak.
De verdachte is veroordeeld voor, kort gezegd, vernieling op 3 mei 2019 van zaken die toebehoren aan de Nationale Politie, Eenheid Limburg. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie, Eenheid Limburg toegewezen tot een bedrag van € 1.500 en het heeft voor een gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
De verdachte heeft onvoldoende belang bij de klacht over de beslissing van het hof met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde schade. Het cassatiemiddel klaagt niet over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de toegewezen vordering van de benadeelde partij. Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde schade zou er immers toe leiden dat de verplichting voor de verdachte tot betaling van de voor hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand blijft. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat de klacht zich niet keert tegen de materiële verschuldigdheid van de schade (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1932, rechtsoverweging 2.4).
Het cassatiemiddel faalt.
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 15 merkt de Hoge Raad het volgende op over de klacht van het cassatiemiddel.
Het ontvankelijkheidsverweer en de beoordeling daarvan door het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7 en 8.
Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij zich in eerste aanleg heeft gevoegd op de manier zoals bedoeld in artikel 51g lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de daartoe bij het “Verzoek tot schadevergoeding” gevoegde “machtiging” van [benadeelde] – waarin onder meer is vermeld dat [benadeelde] bevoegd is als gemachtigde op te treden “in zowel civielrechtelijke als bestuursrechtelijke procedures voor (...) de Rechtbanken [en] de Gerechtshoven” – ook ziet op deze voeging. Deze aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de door de benadeelde partij aan [benadeelde] verleende volmacht – die erop neerkomt dat de benadeelde partij met het verlenen van deze volmacht aan [benadeelde] ook heeft beoogd zich ter zake van haar civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding door [benadeelde] te laten vertegenwoordigen in deze strafzaak – is niet onbegrijpelijk.
Opmerking verdient nog dat de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat in gevallen waarin ten aanzien van de opgave als bedoeld in artikel 51g lid 1 Sv onvoldoende duidelijk is of de gemachtigde mag optreden namens de benadeelde partij, de vordering van de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan nadat de benadeelde partij door het openbaar ministerie dan wel door de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. (Vgl. HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1719, rechtsoverweging 2.5.)
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.