ECLI:NL:HR:2024:1769

ECLI:NL:HR:2024:1769, Hoge Raad, 03-12-2024, 22/02386

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02386
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:994
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Verduistering crossmotor tijdens proefrit (art. 321 Sr). Schending cautieplicht art. 29.2 Sv en informatieplicht art. 27c.2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat opsporingsambtenaar verplicht was cautie te geven aan verdachte en hem te wijzen op zijn recht op rechtsbijstand, voordat hij hem aansprak op het rijden met een van diefstal afkomstige crossmotor, art. 359a Sv. Art. 29.2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. O.g.v. die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in p-v worden opgenomen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:853 m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie en uit HR:2018:368, inhoudende dat aan niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling moet worden gedaan van recht op rechtsbijstand en dat niet-naleving van dat voorschrift in beginsel vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv oplevert. Hof heeft het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer verworpen op grond dat geen sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit toen verdachte door opsporingsambtenaar werd aangesproken. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit p-v van bevindingen van politie volgt immers allereerst dat opsporingsambtenaar al voordat hij verdachte aansprak, hem had herkend op camerabeelden waarop dader van diefstal of verduistering van crossmotor te zien zou zijn. Verder volgt daaruit dat opsporingsambtenaar vervolgens verdachte heeft geconfronteerd met die herkenning, hem heeft gezegd dat hij verdachte had zien rijden op crossmotor die van diefstal afkomstig was en dat het opsporingsambtenaar verbaasde dat verdachte “betrokkenheid heeft bij dit soort praktijken”, waarmee opsporingsambtenaar kennelijk reactie van verdachte m.b.t. zijn betrokkenheid bij strafbaar feit (diefstal of verduistering van die crossmotor) wilde verkrijgen en waardoor sprake was van verhoor a.b.i. art. 29.2 Sv. Dit hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Gelet op inhoud van bewijsmiddelen is bewezenverklaring (ook met weglating van verklaring van verdachte) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02386

Datum 3 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022, nummer 21-004903-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de opsporingsambtenaar verplicht was de cautie te geven aan de verdachte en hem te wijzen op het recht op rechtsbijstand, voordat de opsporingsambtenaar de verdachte aansprak op het rijden met een van diefstal afkomstige crossmotor.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij, op 27 april 2020 te Utrecht opzettelijk een motorfiets (Honda [kenteken] ), toebehorende aan [aangever] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper (tijdens een proefrit), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.”

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4, waaronder:

“4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 30 tot en met 32 van het politiedossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Algemeen

Ik ben zes jaar werkzaam als wijkagent in de wijk Kanaleneiland in Utrecht.

Aanleiding

Op woensdag 29 april 2020 heb ik een mail ontvangen van collega [verbalisant 3] , met daarin een verzoek tot herkenning van een verdachte. De verdachte, zijnde bestuurder van een crossmotor, zou een crossmotor hebben weggenomen vanaf de Livingstonelaan naar aanleiding van een deal/verkoop via Marktplaats. Bij deze mail waren in totaal twee foto's gevoegd, welke als bijlage gevoegd worden bij dit proces-verbaal. Ik heb hierop contact gehad met collega [verbalisant 3] en vroeg hem of er bewegende beelden waren van de verdachte.

Collega [verbalisant 3] deelde mij mede dat er bewegende camera beelden waren. Ik heb hierop de bewegende camera beelden alleen uitgekeken.

Herkenning

Ik herken de verdachte, die afgebeeld staat op de foto 1, foto 2 en zichtbaar is op de beschikbare camerabeelden, als de mij ambtshalve bekende [verdachte] en diens volledige personalia luiden:

[verdachte]

geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]

wonende [a-straat 1] te [plaats] ,

verder te noemen [verdachte] .

Ik zag dat [verdachte] het volgende signalement had op de foto’s en camerabeelden:

- Jack, zwart van kleur,

- Bovenkleding rood van kleur,

- Broek, groen van kleur,

- Schoenen, zwart van kleur.

Ik kom [verdachte] regelmatig tegen in de wijk Kanaleneiland en ben daarom goed bekend met hem. Ik herken hem op de foto’s en de beschikbare camerabeelden aan zijn gelaat in combinatie met de vorm van zijn neus, gezichtsbeharing, haardracht en diens postuur.

Contact [verdachte] :

Op donderdag 7 mei 2020, omstreeks 23:00 uur, begaf ik mij nabij de rotonde gelegen op de Marco Pololaan met de Vasco Da Gamalaan in Utrecht. Ik zag op dat moment [verdachte] lopen en heb hierop onder vier ogen een gesprek gehad met hem. Ik zag dat hij tijdens het gesprek een broek droeg, welke groen van kleur was. Ik vond deze groen gekleurde broek zeer veel lijken op de broek, welke [verdachte] droeg op foto 1 en foto 2. Ik heb [verdachte] geconfronteerd met het feit dat ik hem herkend had op camerabeelden. Ik deelde hem mede dat hij op een rood met wit gekleurde crossmotor had zien rijden en hij ook een wheelie maakte op de openbare weg. Ik deelde hem mede dat de crossmotor zover ons bekend was van diefstal afkomstig was en vroeg hem om deze crossmotor retour te brengen. Ik heb [verdachte] ook verteld dat het mij verbaasde dat hij betrokkenheid heeft bij dit soort praktijken. Ik hoorde hem hierop verklaren:

“Er rijden veel meer wit met roodgekleurde crossmotoren rond in de wijk. Ik heb wel met een wit met rood gekleurde crossmotor gereden hier. Ik heb die rood met wit gekleurde crossmotor van een vriend geleend die dag. Ik wil zijn naam niet noemen. Ik zal voor je navragen of zijn rood met gekleurde crossmotor in orde is. Als ik meer weet dan hoor je dit van mij”.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“10. Verbalisant [verbalisant 1] meent in de persoon van de printscreens cliënt te herkennen (p. 30). Hij omschrijft de kleding als een zwart jack met bovenkleding rood van kleur een groene broek en zwarte schoenen.(...)

12. Volgens verbalisant [verbalisant 1] , die op 29 april 2020 tot de gestelde herkenning kwam, zou hij op 7 mei 2020 een gesprek aangegaan zijn met cliënt en hem hebben geconfronteerd met zijn herkenning, waarbij medegedeeld werd dat de crossmotor van diefstal afkomstig was, waarbij [verbalisant 1] vertelde dat hij verbaasd was dat cliënt betrokken was bij “dit soort praktijken.” (p.31). Vervolgens heeft [verbalisant 1] gerelateerd wat hij cliënt daarop hoorde verklaren (p. 30): “Ik hoorde [verdachte] hierop verklaren: [betrokkene 2] ik heb echt geen crossmotor gestolen (t/m) Als ik meer weet dan hoor je dit van mij.” Op een later moment, 12 mei 2020 sprak [verbalisant 1] cliënt wederom aan, waarbij gevraagd werd of dit de crossmotor betrof waarop cliënt door [verbalisant 1] gezien was op camerabeelden, waarop cliënt geantwoord zou hebben (zie verklaring op p.80).

13. Ik stel mij op het standpunt dat u deze van cliënt verkregen verklaringen van het bewijs dient uit te sluiten, omdat deze zijn verkregen onder schending van belangrijke strafrechtelijke voorschriften, zodat er sprake is van vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv. Immers:- verbalisant [verbalisant 1] was op de hoogte van de verdenking van diefstal / verduistering van de motor (p. 30: een crossmotor weggenomen...naar aanleiding van een deal/verkoop via Marktplaats). Verbalisant [verbalisant 1] zou cliënt herkend hebben op 29 april 2020, zodat cliënt bij het op 7 mei 2020 aanspreken en confronteren voor hem een verdachte was zoals in art. 27 lid 1 Sv; - ingevolge art. 27c lid 2 Sv moet aan de verdachte die niet is aangehouden, voorafgaand aan zijn eerste verhoor, onverminderd artikel 29, tweede lid, mededeling worden gedaan van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid Sv. Verbalisant heeft bij beide gelegenheden verzuimd cliënt op dat recht te wijzen; - ingevolge art. 29 lid 2 Sv dient voorafgaand aan het verhoor aan de verdachte de cautie gegeven te worden, namelijk dat hij niet gehouden is tot het geven van antwoord. Verbalisant heeft ook bij beide gelegenheden verzuimd om cliënt de cautie te geven.

14. Of sprake is van een verhoor, kan worden beantwoord aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 1979: “De strekking van art. 29 het behoeden van de verdachte tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling brengt mee dat als verhoor in de zin van dat artikel worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.”

15. Dit laatste, een geconstateerd strafbaar feit, is bovendien afgezwakt doordat de Hoge Raad inmiddels heeft geoordeeld dat ook het vragen naar betrokkenheid bij een strafbaar feit een verhoorsituatie oplevert (HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056, NJB 2018/2111, r.o. 2.3.1)

16. Door verbalisant [verbalisant 1] , een bij de opsporing betrokken politieambtenaar, werd dan ook besloten om een reeds door hem als verdachte aangemerkt persoon kennelijk onverhoeds, namelijk zonder voorafgaande aankondiging of uitnodiging voor verhoor direct op straat, aan te spreken, te confronteren met onderzoeksbevindingen en om zo van cliënt een verklaring te verkrijgen (p. 31).Ook werd er gevraagd naar de herkomst van de crossmotor op de camerabeelden en een verklaring van cliënt afgenomen, terwijl cliënt nog altijd als verdachte was aangemerkt en de vragen werden gesteld zonder voorafgaande aankondiging van verhoor of uitnodiging voor verhoor (p. 80).

17. Daarbij levert het bij beide gelegenheden niet wijzen op het recht om te zwijgen (de cautie) ernstige vormverzuimen op. Client bevond zich nietsvermoedend op straat, zodat hij zich er niet bewust van zal zijn geweest dat er steeds sprake was van een verhoor en het afleggen van verklaringen tegen hem gebruikt zou kunnen gaan worden in een strafzaak. Het wijzen op het recht om geen antwoord te geven is een belangrijke pijler binnen ons strafproces en vormt een belangrijk element van een ‘fair trial’ zoals bedoeld in art. 6 EVRM i.v.m. het nemo tenetur beginsel.

18. Ook het bij beide gelegenheden nalaten te wijzen op het recht op rechtsbijstand vormen ernstig vormverzuimen, getuige in ieder geval het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2018, waarin de Hoge Raad ingaat op de rechtspositie van de niet-aangehouden verdachte en daarbij stelt: “Op grond van art. 27c, tweede lid, Sv dient de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling te worden gedaan van het in art. 28, eerste lid, Sv gewaarborgde recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Indien dat voorschrift niet is nageleefd levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geldt dat zo een vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de ter gelegenheid van het verhoor afgelegde verklaring, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van de desbetreffende mededeling niet in zijn verdediging is geschaad.”

19. Het niet wijzen op het recht op rechtsbijstand vormen dan ook ernstige schendingen, nu ook dit een belangrijke pijler vormt van ons strafproces, in verband met het nemo tenetur beginsel.

20. Wegens ernstige vormverzuimen zoals bedoeld in art. 359a Sv, te weten het steeds niet geven van de cautie en het steeds niet wijzen op het recht op rechtsbijstand, welke vormverzuimen hebben plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek naar het ten laste gelegde feit, verzoek ik u om bewijsuitsluiting van de hiervoor omschreven verklaring van cliënt (p. 31, p. 80). Cliënt heeft ook belang bij bewijsuitsluiting: als hij had geweten dat hij verdachte was, dan zou hij geen verklaringen hebben afgelegd. Dit blijkt ook uit zijn proceshouding tijdens het verhoor van 15 juni 2020, waarbij cliënt zich wel van rechtsbijstand heeft laten voorzien en hij gebruik heeft gemaakt van het zwijgrecht (p. 63 e.v.).De eisen van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM brengen dan ook met zich mee dat geen ander rechtsgevolg dan bewijsuitsluiting van voornoemde verklaringen op zijn plaats is, hetgeen ik bij deze verzoek.”

Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

“Het hof zal de door verdachte afgelegde verklaring, dat het klopt dat hij op een rood-witte crossmotor reed op 27 april 2020, ook gebruiken voor het bewijs. Weliswaar is hem geen cautie gegeven voordat hij deze verklaring aflegde, maar op het moment dat verdachte werd aangesproken door verbalisant [verbalisant 1] , werd hij nog niet als verdachte aangemerkt. Vóór dat moment bestond er naar het oordeel van het hof nog geen redelijk vermoeden van schuld op grond waarvan de cautie moest zijn gegeven. Dat ontstond pas nadat de verdachte had bevestigd dat hij die dag op de rood-witte crossmotor had gereden. Er is dus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. En de verklaring van verdachte kan voor het bewijs worden gebruikt.”

Artikel 29 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Op grond van die bepaling moet de verdachte voor zijn verhoor worden medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in het proces-verbaal worden opgenomen.

Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 Sv wordt als verdachte aangemerkt de persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en daardoor van een verhoorsituatie. (Vgl. HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2056.)

Verder moet op grond van artikel 27c lid 2 Sv aan de niet-aangehouden verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling worden gedaan van het in artikel 28 lid 1 Sv gewaarborgde recht om zich te doen bijstaan door een raadsman. Als dat voorschrift niet is nageleefd levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Met het oog op de verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt dat zo’n vormverzuim, na een daartoe strekkend verweer, in beginsel moet leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, tenzij de verdachte door het achterwege blijven van die mededeling niet in zijn verdediging is geschaad. (Vgl. HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.)

Het hof heeft het onder 2.2.3 weergegeven verweer verworpen op de grond dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit toen de verdachte op 7 mei 2020 door de opsporingsambtenaar werd aangesproken. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit het onder 2.2.2 vermelde proces-verbaal volgt immers allereerst dat de opsporingsambtenaar al voordat hij de verdachte aansprak, hem had herkend op camerabeelden waarop de dader van de diefstal of verduistering van een crossmotor te zien zou zijn. Verder volgt daaruit dat de opsporingsambtenaar vervolgens de verdachte heeft geconfronteerd met die herkenning, hem heeft gezegd dat hij de verdachte had zien rijden op een crossmotor die van diefstal afkomstig was en dat het de opsporingsambtenaar verbaasde dat de verdachte “betrokkenheid heeft bij dit soort praktijken”, waarmee de opsporingsambtenaar kennelijk een reactie van de verdachte met betrekking tot zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit – kort gezegd: diefstal of verduistering van die crossmotor – wilde verkrijgen en waardoor sprake was van een verhoor als bedoeld in artikel 29 lid 2 Sv.

Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht. Dit hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen is de bewezenverklaring – ook met weglating van de in bewijsmiddel 4 weergegeven verklaring van de verdachte – toereikend gemotiveerd.

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zes weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2024-0311 NJB 2024/2681 RvdW 2025/69
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?