HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02337 H
Datum 9 april 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 september 2020, nummer 23-003596-18, ingediend door A.W.J. van Galen, advocaat in Amsterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1979,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met de verklaring die de partner van de aanvrager als getuige op de terechtzitting van het gerechtshof heeft afgelegd in de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak.
3. De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren en daarbij voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 22 september 2020 van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak van de aanvrager zal bevelen, en de zaak op de voet van artikel 472, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 471, eerste lid, Sv zal verwijzen naar een ander gerechtshof, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.
4. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is daarom gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.