ECLI:NL:HR:2024:837

ECLI:NL:HR:2024:837, Hoge Raad, 18-06-2024, 22/01088

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-06-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/01088
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2022:2535
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:319
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0002415

Samenvatting

Onverzekerd rijden in auto, art. 30.4 WAM. Strafmotivering (geldboete van € 600), art. 25.1.b WAM. Kon hof overwegen dat verdachte door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, risico heeft genomen “slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen”? Deze overweging is niet zonder meer begrijpelijk, nu in WAM (die, zoals hof terecht heeft overwogen, tot doel heeft slachtoffers te beschermen tegen schade die (onder meer) met onverzekerde motorrijtuigen wordt veroorzaakt) is geregeld dat dergelijke slachtoffers (in beginsel) schadeloos worden gesteld. Terechte klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook zonder deze overweging is strafoplegging toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01088

Datum 18 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 maart 2022, nummer 20-001069-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 2000,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering voor zover deze inhoudt dat de verdachte, door geen autoverzekering af te sluiten, het risico heeft genomen slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen.

De verdachte is veroordeeld voor (kort gezegd) onverzekerd rijden tot een geldboete van € 600. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:

“Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte in strijd met art. 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen als bestuurder van een onverzekerde personenauto op de openbare weg gereden. Het doel van voornoemde bepaling is te voorkomen dat in Nederland onverzekerde motorrijtuigen op de openbare weg aanwezig zijn, om zodoende slachtoffers te beschermen tegen schade die met dergelijke motorrijtuigen wordt veroorzaakt. Door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, heeft de verdachte het risico genomen slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2022, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gelijksoortige delicten. De kantonrechter in de rechtbank Den Haag heeft de verdachte bij vonnis van 1 december 2021 (...) ter zake van ‘als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is afgesloten en in stand gehouden’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600, subsidiair 12 dagen hechtenis. Vanwege laatstgenoemde veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Voorts heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte geen rijbewijs heeft. Daarnaast is het hof gebleken dat hij bij het CJIB openstaande boetes heeft en daar een betalingsregelingen voor heeft getroffen.

Alles afwegende acht het hof een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis, passend en geboden.”

Artikel 25 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen luidt:

“Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade of een zodanige aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 3a bestaat, een recht op schadevergoeding tegen het fonds geldend maken: (...) b. wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen.”

Het hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, het risico heeft genomen “slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen”. Deze overweging is niet zonder meer begrijpelijk, nu in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen – die, zoals het hof terecht heeft overwogen, tot doel heeft slachtoffers te beschermen tegen schade die (onder meer) met onverzekerde motorrijtuigen wordt veroorzaakt – is geregeld dat dergelijke slachtoffers (in beginsel) schadeloos worden gesteld.

Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook zonder deze overweging is de strafoplegging toereikend gemotiveerd.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 600 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2024-0132 NJB 2024/1489 RvdW 2024/658 VR 2024/127
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?