HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01088
Datum 18 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 maart 2022, nummer 20-001069-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering voor zover deze inhoudt dat de verdachte, door geen autoverzekering af te sluiten, het risico heeft genomen slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen.
De verdachte is veroordeeld voor (kort gezegd) onverzekerd rijden tot een geldboete van € 600. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte in strijd met art. 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen als bestuurder van een onverzekerde personenauto op de openbare weg gereden. Het doel van voornoemde bepaling is te voorkomen dat in Nederland onverzekerde motorrijtuigen op de openbare weg aanwezig zijn, om zodoende slachtoffers te beschermen tegen schade die met dergelijke motorrijtuigen wordt veroorzaakt. Door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, heeft de verdachte het risico genomen slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 januari 2022, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gelijksoortige delicten. De kantonrechter in de rechtbank Den Haag heeft de verdachte bij vonnis van 1 december 2021 (...) ter zake van ‘als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is afgesloten en in stand gehouden’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600, subsidiair 12 dagen hechtenis. Vanwege laatstgenoemde veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Voorts heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte geen rijbewijs heeft. Daarnaast is het hof gebleken dat hij bij het CJIB openstaande boetes heeft en daar een betalingsregelingen voor heeft getroffen.
Alles afwegende acht het hof een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis, passend en geboden.”
Artikel 25 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen luidt:
“Een benadeelde kan, wanneer er een burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade of een zodanige aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 3a bestaat, een recht op schadevergoeding tegen het fonds geldend maken: (...) b. wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen.”
Het hof heeft onder meer overwogen dat de verdachte door geen verzekering af te sluiten en in stand te houden, het risico heeft genomen “slachtoffers te benadelen doordat zij hun schade niet kunnen verhalen”. Deze overweging is niet zonder meer begrijpelijk, nu in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen – die, zoals het hof terecht heeft overwogen, tot doel heeft slachtoffers te beschermen tegen schade die (onder meer) met onverzekerde motorrijtuigen wordt veroorzaakt – is geregeld dat dergelijke slachtoffers (in beginsel) schadeloos worden gesteld.
Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook zonder deze overweging is de strafoplegging toereikend gemotiveerd.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 600 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.