ECLI:NL:HR:2025:1024

ECLI:NL:HR:2025:1024, Hoge Raad, 27-06-2025, 24/02577

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-06-2025
Datum publicatie 27-06-2025
Zaaknummer 24/02577
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:65
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 2 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656 BWBR0003738 BWBR0013513 BWBR0013605 BWBR0024634 BWBR0030068

Samenvatting

Personen- en familierecht. Nationaliteitsrecht. Procesrecht. Verzoek om vaststelling Nederlanderschap van minderjarige van zeven jaar of ouder door erkenning door Nederlander die biologisch ouderschap bij of binnen jaar na erkenning aantoont (art. 4 lid 4 RWN). Eisen aan DNA-bewijs op grond van Besluit DNA-onderzoek vaderschap.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/02577

Datum 27 juni 2025

BESCHIKKING

In de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: de Staat,

advocaat: S.M. Kingma,

tegen

[de man] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [de minderjarige],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: [de man],

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naarde beschikking in de zaak C/09/632028 / HA RK 22-276 van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024.

De Staat heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

[de man] heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) is in 2008 in Costa Rica geboren. Zij heeft de Costa Ricaanse nationaliteit.

(ii) [de man] heeft aan de rechtbank in San José, Costa Rica, een verzoek gedaan om rechterlijke machtiging tot erkenning van [de minderjarige].

(iii) Tijdens de gerechtelijke procedure is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99,999% zeker is dat [de man] de biologische vader is van [de minderjarige].

(iv) Bij uitspraak van 10 februari 2016 heeft de rechtbank in Costa Rica op basis van het DNA-bewijs machtiging verleend aan [de man] tot erkenning van [de minderjarige] en heeft de rechtbank de erkenning als verricht beschouwd.

(v) [de man] is vervolgens op de Costa Ricaanse geboorteakte van [de minderjarige] geregistreerd als vader van [de minderjarige].

(vi) In 2018 is [de man] gehuwd met de moeder van [de minderjarige].

(vii) Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 april 2023 is aan [de minderjarige] een verblijfsvergunning verleend.

(viii) [de minderjarige] verblijft nu in Nederland.

(ix) [de man] heeft de Nederlandse nationaliteit.

[de man] verzoekt in dit geding om vaststelling van het Nederlanderschap van [de minderjarige].

De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.

De Costa Ricaanse erkenning door [de man] van [de minderjarige] is op 10 februari 2016, de datum van de uitspraak van de Costa Ricaanse rechtbank, rechtsgeldig geworden en kan op grond van art. 10:101 BW worden erkend.

Vervolgens is de vraag of [de minderjarige] als gevolg van de erkenning door [de man] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Met het DNA-onderzoek dat op last van de rechtbank in Costa Rica tijdens de gerechtelijke procedure is gedaan naar de biologische afstamming van [de minderjarige], is voldaan aan het vereiste van art. 4 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond. Dit leidt tot de conclusie dat [de minderjarige] op 10 februari 2016 het Nederlanderschap heeft verkregen.

3. Beoordeling van het middel

Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap nadere regels zijn gesteld voor het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs, en dat de rechtbank daaraan (ook ambtshalve) had moeten toetsen. Als de rechtbank dit niet heeft miskend maar van oordeel was dat het DNA-bewijs wel aan deze nadere regels voldeed, heeft zij dat oordeel niet gemotiveerd, aldus het middel.

Een minderjarige vreemdeling van zeven jaar of ouder verkrijgt het Nederlanderschap door erkenning door een Nederlander die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont (art. 4 lid 4 RWN in verbinding met art. 4 lid 2 RWN). Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs (art. 4 lid 6 RWN).

Nadere regels als hiervoor in 3.2 bedoeld, zijn gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (hierna: het Besluit). Art. 1 lid 1 van het Besluit houdt in dat het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs wordt aangetoond door DNA-onderzoek. Art. 1 lid 3 van het Besluit houdt in dat het DNA-bewijs wordt geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een laboratorium als bedoeld in art. 1 lid 6 van het Besluit. Art. 1 lid 6 van het Besluit bepaalt dat het DNA-onderzoek wordt verricht in een laboratorium dat is geaccrediteerd, kort gezegd, door de Raad van Accreditatie of, indien het laboratorium in het buitenland is gevestigd, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of een bevoegde autoriteit. Uit de nota van toelichting bij het Besluit volgt dat het DNA-bewijs in alle gevallen op voornoemde wijze moet worden geleverd.

De rechter dient, zo nodig ambtshalve, te onderzoeken of het DNA-bewijs voldoet aan de vereisten die volgen uit art. 4 lid 4 en lid 6 RWN.

De rechtbank heeft geoordeeld dat met het DNA-onderzoek dat in opdracht van de rechtbank in Costa Rica is uitgevoerd, voldaan is aan art. 4 lid 4 RWN. De rechtbank heeft echter niet kenbaar onderzocht of het DNA-onderzoek voldeed aan de uit art. 4 lid 6 RWN in verbinding met het Besluit voortvloeiende eis dat het biologisch ouderschap is aangetoond door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een conform het Besluit geaccrediteerd laboratorium. Het middel slaagt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024;

- wijst de zaak terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 juni 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BPR-Updates.nl 2025-0054 PFR-Updates.nl 2025-0156 NJB 2025/1902 NJ 2025/190 RvdW 2025/816 RFR 2025/101 JV 2025/275 met annotatie van mr. H. de Voer
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?