HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02747
Datum 27 juni 2025
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1], in haar hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser 2], in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
1. [verweerster 1], in haar hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2], in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van [de erflater],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
advocaat: A.C. de Bakker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/576538 / HA ZA 19-579 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022 en 20 juli 2022;
b. het arrest in de zaak 200.317.880/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 juni 2025.