HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00119
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2023, nummer 21-003774-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 tot en met 4.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), heeft verdisconteerd in de opgelegde straf.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld. Daarnaast is op 19 oktober 2020 namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2022 heeft de raadsman van de verdachte daar aangevoerd:
“Mocht het hof tot een veroordeling komen, dan dient in elk geval rekening te worden gehouden met de schending van de redelijke termijn. Na de getuigenverhoren heeft het nog vijftien maanden geduurd tot de zaak is gepland. Als het openbaar ministerie appel instelt, dan moet het openbaar ministerie er ook bovenop zitten. Ik verzoek uw hof om geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen.”
Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:
“Het hof acht alles afwegende, mede gelet op het tijdsverloop, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.”
Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle moet de rechter in geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, in zijn uitspraak vermelden welke straf zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan wel anderszins voldoende duidelijk laten blijken op welke wijze de overschrijding van de redelijke termijn in de bestraffing is verdisconteerd. (Vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:442, rechtsoverweging 3.3.)
Het hof heeft in de hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overweging tot uitdrukking gebracht dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met de schending van de redelijke termijn. Het hof heeft echter, in het licht van het namens de verdachte gevoerde verweer over de overschrijding van de redelijke termijn, nagelaten in de uitspraak duidelijk te maken in welke mate de straf is verlaagd wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. BroekhuizenMeuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.