ECLI:NL:HR:2025:127

ECLI:NL:HR:2025:127, Hoge Raad, 28-01-2025, 22/02948

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 28-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02948
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:1086
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 16 zaken
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005181 BWBR0005288

Samenvatting

Medeplegen erfvredebreuk door betonblokken weg te slepen bij voormalige standplaats van woonwagens en zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot besloten erf van gemeente, art. 138.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht t.a.v. “bij gemeente in gebruik” zijn van erf. 2. Bewijsklachten t.a.v. “besloten erf”, “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” en verweer over uitspraak voorzieningenrechter. Ad 1. Om redenen vermeld in HR:2025:124 leidt middel niet tot cassatie. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat perceel was afgesloten door middel van betonblokken en daarmee was afgescheiden van omgeving, zodat op dat moment sprake was van besloten erf a.b.i. art. 138.1 Sr. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarmee heeft hof verwerping van verweer t.a.v. “besloten erf” toereikend gemotiveerd. Voorts heeft hof gemotiveerd waarom bestanddelen “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” zijn vervuld. Hof heeft in dat verband vastgesteld dat gemeente een brief heeft gestuurd met sommatie om erf uiterlijk 2 dagen later te verlaten. Uit bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten meerdere malen brieven hebben ontvangen van gemeente en ook dat zij deze brieven hebben gelezen en dus op de hoogte waren van inhoud. Aldus heeft hof de verwerping van desbetreffend toereikend verweer gemotiveerd. Tenslotte wordt met verweer over uitspraak voorzieningenrechter betoogd dat schorsing van de door gemeente opgelegde last onder dwangsom die tot 16-10-2018 heeft voortgeduurd, meebrengt dat verdachte en medeverdachten zich in periode tussen 23-9-2018 en 16-10-2018 niet aan strafbaar feit schuldig hebben gemaakt. Die opvatting is onjuist. Hof had verweer daarom slechts kunnen verwerpen. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02945, 22/02946 en 22/02947.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02948

Datum 28 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022, nummer 20-001819-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.H.S. Brinkman, advocaat in Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat sprake was van het “bij de gemeente [plaats] in gebruik” zijn van het in de bewezenverklaring bedoelde erf.

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/02945, ECLI:NL:HR:2025:124.

3. Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel

De cassatiemiddelen komen met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring.

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, 4, 6 en 7.

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2025/244
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?