ECLI:NL:HR:2025:1446

ECLI:NL:HR:2025:1446, Hoge Raad, 14-10-2025, 24/01739

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-10-2025
Datum publicatie 14-10-2025
Zaaknummer 24/01739
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:736
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Mishandeling door tijdens lezing op universiteit een omstander, die betrokken is bij burgeraanhouding van verdachte, in zijn duim te bijten, art. 300.1 Sr. Noodweer bij delict met wederrechtelijkheid als (impliciet) bestanddeel, art. 41.1 Sr. Kon hof oordelen dat verklaring van aangever op belangrijkste punten steun vindt in verklaring van getuige, terwijl dit niet uit gebruikte bewijsmiddelen volgt en hof in zijn bewijsoverweging ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangeduid waaruit die steun bestaat en evenmin aan welk wettig b.m. het deze omstandigheid heeft ontleend? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1633, HR:2022:417 en HR:2021:1280 over beoordeling van feitelijke grondslag van beroep op noodweer als wederrechtelijkheid (impliciet) bestanddeel is van delict. Feiten en omstandigheden waarop rechter zich beroept bij weerlegging van beroep op strafuitsluitingsgrond hoeven niet te blijken uit gebruikte b.m. en rechter hoeft ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn verwerping het wettige b.m. aan te geven waaraan die f&o zijn ontleend (vgl. HR:2006:AW4459 en HR:2018:903). Dat geldt ook als wederrechtelijkheid (impliciet) bestanddeel is van delict, zoals bij mishandeling a.b.i. art. 300 Sr. Hof heeft geoordeeld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat hij niet handelde ter verdediging tegen “wederrechtelijke aanranding”. Dit oordeel steunt o.m. op ’s hofs vaststelling dat in verklaring van aangever gedetailleerd is omschreven wat er tijdens aanhouding is gebeurd en dat deze verklaring op belangrijkste punten steun vindt in verklaring van getuige. V.zv. middel uitgaat van opvatting dat voor verwerping van beroep op noodweer uit gebruikte b.m. had moeten volgen dat verklaring van aangever steun vindt in verklaring van getuige dan wel dat hof met voldoende mate van nauwkeurigheid wettig b.m. had moeten aangeven waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend, is het, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, tevergeefs voorgesteld. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01739

Datum 14 oktober 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2024, nummer 23-002360-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling.

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 24 november 2022 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] in zijn rechterduim te bijten, waardoor deze [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“4. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2022252293-2 van 24 november 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina's 10-13.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [slachtoffer]:

Op 24 november 2022 was ik bij de lezing op [A]. Ik zat in de zaal. Ik zag een man eieren naar de spreker gooide en dat een ei de spreker raakte. Ik zag dat de verdachte de zaal wilde verlaten, maar werd tegengehouden door twee jongens. Ik ben opgestaan en ging aan de zijkant staan, zodat ik met de twee andere jongens in een driehoek om de verdachte stonden. De verdachte begon om zich heen te duwen om zo weg te komen. Ik zag dat de twee jongens de verdachte bij de armen beet pakte. Ik ging samen met de twee jongens en de verdachte de zaal uit. Ik pakte de verdachte ook vast, want ik merkte dat hij onrustig en agressief werd. Ik zag dat de verdachte met zijn mond een bijtende beweging maakte. De verdachte stopte met tegenstribbelen en wij lieten de verdachte meer los. De verdachte werd weer onrustig en ging heen en weer met zijn armen en trok met zijn armen om los te komen. Daarna hebben wij de verdachte weer steviger vastgepakt. Ik heb de verdachte opgetild en rustig naar de grond gebracht. Op enig moment voelde ik dat de verdachte mij in de rechterduim had gebeten. Als gevolg hiervan is mijn duim opgezwollen. De verdachte is overgedragen aan de beveiligers.

5. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2024, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 12 november 2022 [slachtoffer] in de duim heb gebeten.”

Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:

“De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde mishandeling en heeft daartoe aangevoerd dat aan de verdachte een succesvol beroep op noodweer toekomt omdat a) geen sprake was van een burgerarrest en het vastpakken van de verdachte een wederrechtelijke aanranding was en b) indien het hof van oordeel is dat wel sprake is van een burgerarrest, de wijze van ingrijpen niet voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het hof overweegt als volgt.

Bij een bijeenkomst bij [A] heeft de verdachte eieren naar de spreker gegooid. Dit is een strafbaar feit en het is een burger toegestaan om iemand aan te houden indien deze op heterdaad betrapt wordt. De burgeraanhouding was aldus legitiem. Het hof staat vervolgens voor de vraag of de aanhouding wel voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

In de verklaring van [slachtoffer] is gedetailleerd omschreven wat er tijdens de aanhouding is voorgevallen. Deze verklaring vindt op de belangrijkste punten steun in de verklaring van [getuige]. Het hof heeft geen redenen om aan de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen. Op basis daarvan stelt het hof vast dat weliswaar de aanhouding uit de hand is gelopen, maar dat dit veroorzaakt werd door het gedrag van de verdachte. Gelet daarop voldeed de aanhouding aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, was er van een wederrechtelijke aanranding geen sprake en komt de verdachte geen beroep op noodweer toe.

Het verweer wordt verworpen.”

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in de hiervoor weergegeven overwegingen heeft aangenomen dat de verklaring van de aangever op de belangrijkste punten steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige], terwijl dit niet uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt en het hof in zijn bewijsoverweging ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid heeft aangeduid waaruit die steun bestaat en evenmin aan welk wettig bewijsmiddel het deze omstandigheid heeft ontleend.

Voor aanvaarding van een beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – dus niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde op de terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Wanneer de rechter de feitelijke toedracht van het beroep niet aannemelijk geworden acht, verwerpt hij het beroep. Dit alles geldt ook als de wederrechtelijkheid (impliciet) bestanddeel is van het delict. (Vgl. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633, onder verwijzing naar HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1280 en HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417.)

De feiten en omstandigheden waarop de rechter zich beroept bij de weerlegging van een beroep op een strafuitsluitingsgrond hoeven niet te blijken uit de gebruikte bewijsmiddelen en de rechter hoeft ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn verwerping het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459 en HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:903). Dat geldt ook als de wederrechtelijkheid (impliciet) bestanddeel is van het delict, zoals bij mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat hij niet handelde ter verdediging tegen een ‘wederrechtelijke aanranding’. Dit oordeel steunt onder meer op de vaststelling van het hof dat in de verklaring van aangever [slachtoffer] gedetailleerd is omschreven wat er tijdens de aanhouding is gebeurd, en dat deze verklaring op de belangrijkste punten steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige].

Voor zover het cassatiemiddel uitgaat van de opvatting dat voor de verwerping van het beroep op noodweer uit de gebruikte bewijsmiddelen had moeten volgen dat de verklaring van de aangever steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige], dan wel dat het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel had moeten aangeven waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend, is het, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, tevergeefs voorgesteld. De klacht kan niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2025/2467 NJ 2025/306 RvdW 2025/1164
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?