HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/03518 B
Datum 4 november 2025
BESCHIKKING
op het verzoekschrift van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam, ingekomen bij de Hoge Raad op 29 september 2025, tot aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in artikel 510 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak
betreffende
[betrokkene] ,
thans officier van justitie bij het landelijk parket,
en anderen,
hierna: de betrokkenen.
1. Het verzoek
De hoofdofficier van justitie heeft zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek op grond van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een rechtbank aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkenen.
2. De conclusie van de procureur-generaal
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.
3. Beoordeling van het verzoek
Uit de bij het verzoekschrift overgelegde stukken blijkt:a. dat tegen de betrokkenen aangifte is gedaan dat deze zich hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten; b. dat de betrokkenen op het moment van de in de aangifte bedoelde feiten rechterlijk ambtenaar in de zin van artikel 510 lid 1 Sv waren.
Daaruit volgt dat het verzoek, gelet op artikel 510 Sv, vatbaar is voor toewijzing.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan als gerecht waarvoor, als het openbaar ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en vastgesteld in raadkamer op 4 november 2025.