HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03847
Datum 21 november 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 oktober 2024, nrs. 23/195 tot en met 23/203, 23/124 tot en met 23/126 en 23/130, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/6194 tot en met 20/6196, 21/821 tot en met 21/824, 21/3783 en 21/5287) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 tot en met 2020 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Dit stuk bevat klachten die niet anders kunnen worden begrepen dan als nieuwe, buiten de daarvoor geldende termijn voorgestelde, gronden van het beroep in cassatie. De Hoge Raad gaat aan die klachten voorbij.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 2 mei 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem voor de jaren 2014 tot en met 2020 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De Inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
3. De oordelen van het Hof
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden alvorens uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaarschriften tegen de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016. Overeenkomstig het verzoek van belanghebbende, heeft het Hof de zaken met nummers 23/195 tot en met 23/197 teruggewezen naar de Inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog volgens de regels te horen en opnieuw uitspraak op de bezwaren te doen. Daarbij heeft het Hof met toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb bepaald dat belanghebbende, indien hij beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar instelt, dat rechtstreeks bij het Hof dient te doen (de zogenoemde judiciële lus).
4. Beoordeling van de klachten
De klachten betogen onder meer dat het Hof ten onrechte de judiciële lus heeft toegepast omdat niet aan de voorwaarden voor toepassing daarvan is voldaan. Die voorwaarden houden volgens de klacht in dat sprake moet zijn van een relatief klein gebrek en dat bovendien geen geschil bestaat over de feiten. Verder betogen de klachten onder meer dat het Hof heeft verzuimd kenbaar een afweging te maken tussen de rechtsbescherming in twee feitelijke instanties en het belang van de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn.
Bij de beoordeling van deze klachten stelt de Hoge Raad voorop dat de wetgever met de judiciële lus als bedoeld in artikel 8:113, lid 2, Awb de hogerberoepsrechter de mogelijkheid heeft willen geven dat beroep tegen een door het bestuursorgaan, na vernietiging van zijn eerdere besluit, genomen nieuw besluit rechtstreeks bij de hogerberoepsrechter moet worden ingesteld in gevallen waarin een behandeling in twee instanties uit een oogpunt van kwaliteit niet nodig is, of zo’n behandeling in twee instanties zelfs onwenselijk is uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting binnen een redelijke termijn. Een hernieuwde behandeling in twee instanties is immers niet altijd nodig, zeker niet als het gaat om herstel van een relatief klein gebrek of als er geen geschil meer is over de feiten, aldus de parlementaire toelichting.
Het Hof heeft zijn beslissing in dit geval de judiciële lus toe te passen kennelijk gebaseerd op een afweging van de belangen die gemoeid zijn bij een behandeling van een eventuele nieuwe procedure in twee feitelijke instanties, en het belang van de behandeling van die procedure binnen een redelijke termijn.
Daarmee heeft het Hof, gelet op wat hiervoor in 4.2 is vooropgesteld, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de klachten betogen, kan de judiciële lus, gelet op de hiervoor in 4.2 vermelde parlementaire toelichting, niet slechts worden toegepast als sprake is van een relatief klein gebrek en bovendien geen geschil bestaat over de feiten.
Het hiervoor in 4.3.1 vermelde oordeel is verder niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het processuele debat van partijen geen aanleiding gaf tot een zodanige motivering. Het Hof was niet gehouden de eventuele toepassing van een judiciële lus aan partijen voor te houden en hun de gelegenheid te bieden zich daarover uit te laten.
De hiervoor in 4.1 vermelde klachten falen daarom.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en C.J. Borman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.