HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03433
Datum 12 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 augustus 2022, nrs. 21/00284 en 21/00285, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 17/5657 en HAA 17/5658) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake rente op achterstallen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B.J.B. Boersma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 16 september 2022 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 juli 2023, Napfény-Toll Kft., C-615/21, ECLI:EU:C:2023:573 (hierna: het arrest Napfény-Toll).
2. Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft op 13 november 2002 en op 18 november 2002 aangifte gedaan tot plaatsing van partijen knoflook onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. Toen de terugzendingsexemplaren van de aangiften niet werden terugontvangen door het kantoor van vertrek, heeft de Inspecteur op 22 januari 2003 respectievelijk 27 januari 2003 aan belanghebbende de in artikel 365, lid 1, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (tekst 2002; hierna: de UCDW) bedoelde mededeling gedaan. Daarbij heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht bewijs te leveren dat de regelingen zijn beëindigd, dan wel voor het geval dat bewijs niet kan worden geleverd, informatie te verschaffen aan de hand waarvan een nasporingsprocedure kan worden ingeleid. Belanghebbende heeft op deze verzoeken niet gereageerd.
Vervolgens zijn aan belanghebbende op 24 september 2003 respectievelijk 26 september 2003 uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting uitgereikt op de grond dat de partijen knoflook aan het douanetoezicht zijn onttrokken (hierna: de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling).
De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077 (hierna: het arrest van 16 september 2016), op het beroep in cassatie van belanghebbende geoordeeld dat de Inspecteur voorafgaande aan de vaststelling van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling heeft nagelaten om belanghebbende in de gelegenheid te stellen te reageren op zijn voornemen tot het vaststellen ervan en hij zodoende het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Omdat de procedure zonder deze schending mogelijk een andere afloop had kunnen hebben, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraken van het Hof, de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd, en de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling vernietigd.
Bij brief van 17 november 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende zijn voornemen bekend gemaakt om ten aanzien van haar opnieuw uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting uit te reiken voor de douane- en omzetbelastingschulden die zijn ontstaan vanwege het aan het douanetoezicht onttrekken van de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook. Nadat belanghebbende op dit voornemen had gereageerd, heeft de Inspecteur met dagtekening 2 oktober 2017 de thans in geding zijnde uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting aan belanghebbende doen uitreiken (hierna: de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017).
3. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 terecht zijn uitgereikt. Voor het Hof was niet in geschil dat (i) de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203, lid 3, van het Communautair douanewetboek (tekst 2002; hierna: het CDW), (ii) belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW douaneschuldenaar is, en (iii) de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 zijn uitgereikt binnen de in artikel 103, lid 1, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: het DWU) bedoelde termijn van drie jaar, in aanmerking genomen hetgeen in artikel 103, lid 3, letter a, van het DWU omtrent opschorting van deze periode is bepaald.
Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, overwogen dat – anders dan belanghebbende betoogde – de Hoge Raad het aan de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling klevende gebrek zoals hiervoor in 2.2 weergegeven, niet had kunnen repareren door bij het arrest van 16 september 2016 te beslissen tot terugwijzing van het geding naar het Hof. Naar het oordeel van het Hof had de Hoge Raad geen andere keuze dan de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling te vernietigen.Vervolgens heeft het Hof – onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad – geoordeeld dat de vernietiging van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling wegens het daaraan klevende gebrek niet heeft betekend dat de douaneschulden die daaraan ten grondslag lagen, zijn vernietigd. Anders dan belanghebbende betoogde, heeft die vernietiging volgens het Hof niet tot een finale geschilbeslechting daarover geleid. De Inspecteur was daarom bevoegd om de op grond van artikel 203, lid 3, van het CDW voor de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook ontstane douaneschulden opnieuw te innen.
Naar het oordeel van het Hof is – anders dan belanghebbende heeft betoogd – met het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 het rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden. Naar het oordeel van het Hof kon belanghebbende vanaf de indiening van de aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer in 2002 weten dat de termijn waarbinnen aan de douaneschuldenaar mededeling van verschuldigde rechten bij invoer moet zijn gedaan, wordt geschorst door het instellen van beroep in de zin van artikel 243 van het CDW voor de duur van dat beroep. De opschorting van die termijn is sinds 19 december 2000 duidelijk en nauwkeurig neergelegd in artikel 221, lid 3, van het CDW (sinds 1 mei 2016: in artikel 103, lid 3, letter a, van het DWU). De toepassing van deze opschorting is voorzienbaar geweest waardoor belanghebbende in staat was de omvang van haar verplichtingen te kennen. Ook is belanghebbende niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse gebleven wat betreft haar rechten en verplichtingen jegens de Inspecteur, aldus nog steeds het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordelen van het Hof dat met de gerechtelijke procedure die heeft geleid tot het arrest van 16 september 2016, de douaneschulden niet zijn vernietigd en dat daarom het arrest van 16 september 2016 niet tot een finale geschilbeslechting daarover heeft geleid.
Met het bij arrest van 16 september 2016 vernietigen van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling wegens het in strijd met het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vaststellen ervan, heeft de Hoge Raad de mededelingen als bedoeld in artikel 221, lid 1, van het CDW, die volgens artikel 7:6, lid 1, van de Algemene douanewet (hierna: de Adw) geschieden door uitreiking van een uitnodiging tot betaling, vernietigd. Met die vernietiging wegens het aan die mededelingen klevende gebrek bij de vaststelling ervan, is het volgens dat arrest tussen partijen bestaande geschil over schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en de eventueel daaraan te verbinden gevolgen finaal beslecht. De Hoge Raad heeft in die procedure geen oordeel hoeven geven over het antwoord op de vraag of de Inspecteur de aan die uitnodigingen tot betaling ten grondslag gelegde douane- en omzetbelastingschulden tot het volle bedrag heeft mogen invorderen wanneer dat gebrek niet aan de desbetreffende mededelingen (uitnodigingen tot betaling) had gekleefd. Het arrest van 16 september 2016 hield in elk geval niet in dat voor de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook niet op grond van artikel 203, lid 3, van het CDW, in samenhang gelezen met artikel 18 van de Wet op de omzetbelasting 1968, douane- en omzetbelastingschulden waren ontstaan en evenmin dat deze schulden om andere redenen zijn vervallen. Dat laatste lag in die cassatieprocedure ook niet als geschilpunt voor. Middel I faalt in zoverre.
In dit verband wijst middel I op het bepaalde in artikel 44, lid 4, van het DWU. Daarin wordt lidstaten opgedragen zorg ervoor te dragen dat de in artikel 44, lid 2, van het DWU voorziene beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt, hetgeen volgens het middel een finaliseringsgebod inhoudt en meebrengt dat een beroepsprocedure in het kader van het Unierecht niet mag resulteren in een herkansing, door de zaak – na afloop van een volledige beroepsprocedure van bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie – terug te wijzen naar het bestuursorgaan voor een hernieuwde behandeling en te komen tot een nieuwe belastingaanslag. Middel I faalt ook in zoverre, aangezien het middel miskent dat de Hoge Raad met de vernietiging van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling het tussen partijen in de desbetreffende beroepsprocedure opgeworpen geschil over deze beschikkingen, zoals hiervoor in 4.1.2 overwogen, finaal heeft beslecht. De Inspecteur mocht – zo lang de daarvoor geldende verjaringstermijn niet was verstreken – totinning van de douane- en omzetbelastingschulden overgaan nadat hij belanghebbende naar behoren in de gelegenheid had gesteld om op zijn voornemen tot inning te reageren. Met het doen uitreiken van de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 heeft de Inspecteur nieuwe beschikkingen in de zin van artikel 44, lid 4, van het DWU gegeven en is belanghebbende tegen die beschikkingen het recht van beroep in de zin van artikel 44 van het DWU gaan uitoefenen. De uitoefening van dat recht ziet dus op andere beschikkingen van de Inspecteur en betreft dus een andere beroepsprocedure dan die heeft geleid tot het arrest van 16 september 2016.
Middel IV is gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat met de uitreiking van de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden. Het middel voert daartoe aan dat lidstaten op grond van artikel 44, lid 4, van het DWU ervoor zorg moeten dragen dat in douanezaken de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt. Ook volgens rechtspraak van het Hof van Justitie mag de belastingplichtige, aldus het middel, niet gedurende lange tijd in het ongewisse blijven over zijn rechten en plichten jegens de belastingautoriteiten. Belanghebbende is, vanwege de bijzonder lange duur van de beroepsprocedures een bijzonder lange tijd in het ongewisse gebleven wat betreft haar rechtspositie met betrekking tot de douane- en omzetbelastingschulden die zijn ontstaan voor de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook. Daarmee is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden, hetgeen volgens het middel ertoe moet leiden dat de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 en de onderliggende douane- en omzetbelastingschulden moeten worden vernietigd. In de hiervoor in 1.3 bedoelde reactie heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat het arrest Napfény-Toll niet betekent dat in de onderhavige zaak niet met succes een beroep zou kunnen worden gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel.
Bij de behandeling van middel IV wordt vooropgesteld dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel beoogt te waarborgen dat rechtssituaties en ‑betrekkingen voorzienbaar zijn, en dat het met name vereist dat de situatie van een belastingplichtige, wat betreft zijn rechten en plichten jegens de belasting‑ of de douanediensten, niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft.
Een redelijke verjaringstermijn, ongeacht of hij door nationaal recht of Unierecht is opgelegd, is in het belang van de rechtszekerheid, die tegelijk de justitiabele en de betrokken administratie beschermt, en belet niet dat de justitiabele de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uitoefent.In het arrest Napfény-Toll heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het rechtszekerheidsbeginsel zich niet verzet tegen een regeling op grond waarvan de termijn waarbinnen de belastingdienst het recht heeft om een belastingschuld vast te stellen, wordt geschorst voor de gehele duur van de rechterlijke toetsing, ongeacht het aantal keren dat de betrokken bestuurlijke procedure na die toetsing moet worden herhaald en zonder beperking van de cumulatieve duur van de schorsingen van die termijn. Een dergelijke regeling maakt naar het oordeel van het Hof van Justitie niet dat de voorzienbaarheid van de rechten en plichten van de belastingplichtige jegens de autoriteiten in het gedrang komt en hoewel de schorsing van een verjaringstermijn gedurende de periode van rechterlijke toetsing kan leiden tot een verlenging van de verjaringstermijn, leidt zo’n regeling niet ertoe dat de fiscale situatie van de belastingplichtige gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft. Schorsing van de verjaringstermijn maakt het daarentegen mogelijk, aldus het Hof van Justitie, te voorkomen dat een daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van belastingwetgeving in gevaar kan worden gebracht door het instellen van vertragende beroepen en het daaruit voortvloeiende structurele risico dat inbreuken op die wetgeving zonder gevolgen blijven.
De Inspecteur heeft belanghebbende in september 2003 vóór het verstrijken van de daartoe volgens de douanewetgeving vastgestelde verjaringstermijn meegedeeld dat zij ter zake van de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook douanerechten en omzetbelasting is verschuldigd, zodat belanghebbende – bij gebreke van andere omstandigheden – zich niet erop kan beroepen dat het hiervoor in 4.3.1 omschreven Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, heeft de vernietiging van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling wegens schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel bij de totstandkoming ervan, niet ertoe geleid dat de aan die uitnodigingen tot betaling ten grondslag liggende douane- en omzetbelastingschulden van rechtswege zijn vervallen. Aan het uitoefenen van het recht op beroep is inherent dat de in dat kader bestreden beschikkingen niet definitief vaststaan zolang de beroepsprocedure niet is geëindigd. Dat laatste betekent in dit opzicht niet dat de rechtssituatie en de rechtsbetrekkingen zoals die voortvloeien uit die bestreden beschikkingen – in strijd met het hiervoor in 4.3.1 omschreven Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel – niet voorzienbaar zijn. Middel IV faalt in zoverre.
Op grond van artikel 221, lid 3, van het CDW respectievelijk artikel 103, lid 3, letter a, van het DWU geldt dat de termijn waarbinnen de douaneautoriteiten mededeling kunnen doen van een door hen geboekte douaneschuld wordt opgeschort vanaf de datum waarop het recht op beroep als voorzien in artikel 243, lid 2, van het CDW, in samenhang gelezen met artikel 245 van het CDW, respectievelijk artikel 44 van het DWU wordt uitgeoefend tot het einde van de beroepsprocedure. Deze opschorting is in de hiervoor vermelde artikelen uit het CDW en het DWU duidelijk en nauwkeurig neergelegd en de toepassing ervan is voorzienbaar. In dit verband verdient opmerking dat het blijkens artikel 245 van het CDW respectievelijk artikel 44 van het DWU een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de in artikel 243, lid 1, letter b, van het CDW respectievelijk artikel 44, lid 2, van het DWU voorgeschreven ‘tweede fase’, bij een onafhankelijke instantie, in te richten. Het staat lidstaten vrij het recht op beroep uit te breiden met de mogelijkheid van hoger beroep en/of beroep in cassatie, zoals Nederland heeft gedaan. Wanneer in Nederland het recht op beroep in alle instanties wordt uitgeoefend, is voorzienbaar dat de behandeling van die rechtsmiddelen een aantal jaren in beslag zal nemen en dus op een daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van belastingwetgeving vertragend kan uitwerken. Het is buiten redelijke twijfel dat – anders dan middel IV betoogt – de rechtspleging in Nederland in de situatie van belanghebbende de toets van het hiervoor in 4.3.1 bedoelde Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel doorstaat. Middel IV faalt dan ook.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 16 september 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar niet meer dan 18 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe.
Wat betreft de vaststelling van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade overweegt de Hoge Raad als volgt.
Op de dag waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, wijst de Hoge Raad ook arrest in de zaak met nummer 22/03438, ECLI:NL:HR:2025:1795, van belanghebbende.In beide zaken is het ontstaan van het geding terug te voeren op dezelfde feiten en omstandigheden op basis waarvan douane- en omzetbelastingschulden zijn ontstaan en waarvoor aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling en een beschikking inzake rente op achterstallen zijn uitgereikt. In beide zaken is het procesbelang van belanghebbende erin gelegen om de van haar geïnde douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen terugbetaald te krijgen, zij het dat belanghebbende daarvoor twee verschillende, bij wet voorziene procedures heeft geëntameerd, te weten het op de voet van artikel 8:2 van de Adw maken van bezwaar tegen de hiervoor bedoelde uitnodigingen tot betaling en beschikking in de zaak met nummer 22/03433, en het verzoeken om terugbetaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen wegens de in artikel 239 van het CDW, in samenhang gelezen met hoofdstuk 3 van de UCDW, bedoelde bijzondere omstandigheden in de zaak met nummer 22/03438. De Hoge Raad heeft daarom deze twee zaken gezamenlijk behandeld.
Voorop staat dat indien in een procedure de redelijke termijn is overschreden, voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien dit het geval is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.3.2 is overwogen, hebben de beide zaken betrekking op hetzelfde onderwerp zodat er aanleiding bestaat om de vergoeding van immateriële schade, die in beginsel € 1.500 bedraagt (€ 500 per half jaar), te matigen tot de helft daarvan, dat wil zeggen € 750.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 22/03433 en 22/03438 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat (i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) van toepassing is, zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 750, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 227, oftewel € 113,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.