ECLI:NL:HR:2025:1797

ECLI:NL:HR:2025:1797, Hoge Raad, 28-11-2025, 24/04715

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 28-11-2025
Zaaknummer 24/04715
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1017
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 16 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0040635

Samenvatting

Wvggz. Zorgmachtiging. Kon rechtbank vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen (art. 6:1 lid 1 Wvggz)?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/04715

Datum 28 november 2025

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],

wonende te [plaats],

VERZOEKER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: D. Rijpma,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak 440577 FZRK 24 2116 van de rechtbank Gelderland van 17 september 2024;

b. de beschikkingen in de zaak C/16/581208 / FV RK 24-2225 van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2024 en 14 oktober 2024.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 oktober 2024 beroep in cassatie ingesteld.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing.

2. Uitgangspunten en feiten

In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twaalf maanden.

Op 23 september 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Betrokkene is niet verschenen.

Bij deelbeschikking van 23 september 2024 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van één maand onder aanhouding van het verzoek voor het overige.

Op 14 oktober 2024 heeft een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Betrokkene is niet verschenen. Het proces-verbaal vermeldt, voor zover in cassatie van belang, het volgende:

“De rechtbank:

Betrokkene is niet aanwezig. De website van PostNL laat zien dat betrokkene zijn aangetekende brief niet heeft afgehaald van het postkantoor.

De advocaat heeft het volgende verklaard:

Ik heb alles geprobeerd om in contact te komen met betrokkene. Dat is niet gelukt. Hoogstwaarschijnlijk weet hij van deze zitting af. De vorige keer wist hij van de zitting af, hij was zelfs voornemens te komen.

De psycholoog heeft het volgende verklaard:

Betrokkene heeft mij verteld dat hij geen meerwaarde ziet in de zitting. Betrokkene verwacht dat de zorgmachtiging er toch wel zal komen en dat hij daarom niet zal verschijnen op de zitting. (…)

De advocaat heeft het volgende verklaard:

Inhoudelijk kan ik niet over de zaak spreken, want ik heb betrokkene niet gesproken. (…).”

Bij beschikking van 14 oktober 2024 heeft de rechtbank de zorgmachtiging voor de resterende duur van de verzochte twaalf maanden verleend. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“1.4. (…) Betrokkene is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van de advocaat en psycholoog vast dat betrokkene op de hoogte was van deze mondelinge behandeling. De rechtbank leidt hieruit af dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

(…)

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de advocaat dat geen beslissing op het aangehouden deel van het verzoek genomen zou mogen worden, omdat de vorige beslissing op onjuiste gronden zou zijn genomen. De rechtbank constateert dat op 23 september 2024 de zorgmachtiging is verleend tot en met 23 oktober 2024. De rechtbank is gebonden aan deze eerdere beslissing, waarbij het kennelijk van belang werd geacht dat betrokkene nogmaals in de gelegenheid werd gesteld om op het verzoek gehoord te worden. Betrokkene heeft voorafgaand aan de zitting van 14 oktober 2024 bij de psycholoog aangegeven dat hij verwacht dat hij de zorgmachtiging toch zal krijgen en dat hij niet naar de zitting komt. De rechtbank leidt hieruit af dat betrokkene op de hoogte is van de zitting en niet bereid is zich te doen horen. De rechtbank zal daarom op het resterende deel van het verzoek beslissen.”

3. Beoordeling van het middel

Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank in rov. 1.4 en 2.4 ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft geoordeeld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.

Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet in staat is of niet bereid is zich te doen horen. Het gaat hier om meer dan hetgeen reeds voortvloeit uit het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen voordat de rechter een beslissing neemt. Ook dient immers zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat aan iemand niet verplichte zorg kan worden opgelegd zonder dat hij, zo hij dit wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Het is tegen deze achtergrond dat de onderzoeksplicht van de rechter naar de bereidheid van de betrokkene om zich te doen horen en de motivering van zijn vaststelling dat die bereidheid niet aanwezig was, moeten worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats te horen op de voet van art. 6:1 lid 2 Wvggz.

De rechtbank heeft in rov. 1.4 overwogen dat betrokkene op de hoogte was van de zitting en in rov. 2.4 dat betrokkene voorafgaand aan de zitting bij de psycholoog heeft laten weten dat hij verwacht dat hij de zorgmachtiging toch zal krijgen en dat hij niet naar de zitting komt. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen zijn deze omstandigheden ontoereikend om te kunnen oordelen dat de bereidheid van betrokkene om zich te doen horen, bijvoorbeeld in zijn woon- of verblijfplaats of telefonisch vanaf de zitting, ontbrak. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht slaagt dus.

Voor het overige behoeft het middel geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 oktober 2024;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.B. ter Heide, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 28 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BPR-Updates.nl 2025-0085 GZR-Updates.nl 2025-0317 NJB 2025/2760 RvdW 2026/12
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?