ECLI:NL:HR:2025:1818

ECLI:NL:HR:2025:1818, Hoge Raad, 02-12-2025, 23/03756

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 23/03756
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1101
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2023:2187
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit actieve niet-ambtelijke omkoping. 1. Kan klacht gericht tegen beslissing van hof in samenhangende strafzaak worden aangemerkt als cassatiemiddel? 2. Toerekening w.v.v. van vennootschap aan bestuurder van vennootschap. Kon hof oordelen dat betrokkene (bestuurder van vennootschap) en vennootschap moeten worden “vereenzelvigd”? Ad 1. Als middel a.b.i. wet kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak (hier: in ontnemingszaak) heeft gewezen. Klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. Ad 2. In strafzaak is betrokkene veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping, terwijl ook door betrokkene bestuurde rechtspersoon (vennootschap A) is veroordeeld voor die niet-ambtelijke omkoping. Daarbij heeft hof geoordeeld dat gedragingen van betrokkene redelijkerwijs aan vennootschap kunnen worden toegerekend. Bij bepaling van w.v.v. moet, mede gelet op reparatoir karakter van maatregel a.b.i. art. 36e Sr, worden uitgegaan van voordeel dat betrokkene in concrete omstandigheden van geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR:2022:840). Hof heeft overwogen dat met verkoop van “private equity” portefeuille door B aan C provisie was gemoeid van 2% van verkoopwaarde van die portefeuille en dat die aan vennootschap A betaalde provisie het resultaat is van niet-ambtelijke omkoping. Verder heeft hof overwogen dat betrokkene in bewezenverklaarde periode “enig bestuurder en aandeelhouder was en ook enige persoon die werkzaam was voor vennootschap A” en dat alleen hij “volledige beschikkingsmacht over vennootschap A en daarmee ook over vermogen daarvan” had. Op die grond heeft hof geoordeeld dat betrokkene en vennootschap A “in dit verband kunnen worden vereenzelvigd”. V.zv. hierin besloten ligt dat betrokkene en vennootschap A moeten worden vereenzelvigd (in die zin dat identiteitsverschil tussen die beide (rechts)personen volledig moet worden weggedacht (vgl. HR:2000:AA7480)), geeft dit oordeel blijk van onjuiste rechtsopvatting, nu uit ’s hofs vaststellingen geen uitzonderlijke omstandigheden blijken die zo’n oordeel, dat verder strekt dan slechts toerekening van het door vennootschap A ontvangen provisiebedrag als w.v.v. aan betrokkene, kunnen dragen. V.zv. hof op andere grond door vennootschap A ontvangen provisiebedrag heeft aangemerkt als wederrechtelijk voordeel dat niet alleen door vennootschap A maar ook door betrokkene is ontvangen, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit ’s hofs vaststellingen blijkt niet of en, zo ja, in hoeverre betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat die provisie als daadwerkelijk w.v.v. aan betrokkene kan worden toegerekend. Daarbij zijn ‘s hofs vaststellingen ook onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van “gemeenschappelijk voordeel” dat zowel aan vennootschap A als aan betrokkene, ieder voor geheel, kan worden toegerekend (vgl. HR:2015:884). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03753, 23/03755 en 23/03761 P.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03756 P

Datum 2 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2023, nummer 23-003438-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat C.F. Korvinus bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.

De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bevat een klacht die is gericht tegen de beslissing van het hof in de strafzaak die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 23/03753 en die samenhangt met deze ontnemingszaak. Als een cassatiemiddel als in de wet bedoeld, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak – hier: in de ontnemingszaak – heeft gewezen. De klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de schatting door het hof van het aan de betrokkene toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de betrokkene en [medeverdachte] B.V. moeten worden ‘vereenzelvigd’.

In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor onder meer, kort gezegd, niet-ambtelijke omkoping. Ook de door de betrokkene bestuurde rechtspersoon [medeverdachte] B.V. (hierna: [medeverdachte] B.V.) is voor die niet-ambtelijke omkoping veroordeeld, waarbij door het hof is geoordeeld dat de gedragingen van de betrokkene redelijkerwijs aan [medeverdachte] B.V. kunnen worden toegerekend.

Het hof heeft over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene overwogen:

“Grondslag en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vermogen van [medeverdachte] B.V. vereenzelvigd dient te worden met dat van haar directeur-grootaandeelhouder [betrokkene] en gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.001.707,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de betalingsverplichting hoofdelijk dient te worden opgelegd aan de betrokkene en [medeverdachte] B.V.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de deal tussen [B] en [A] een zelfstandig verloop kent, los van de positie van [betrokkene 1] en/of [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. en de provisie uitsluitend tot stand is gekomen omdat [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. partijen bij elkaar heeft gebracht waarbij de rol van [betrokkene 1] ondergeschikt was en niet van doorslaggevende betekenis. Verder is betwist dat het vermogen van de betrokkene met dat van [medeverdachte] B.V. vereenzelvigd kan worden. Het enkele feit dat [betrokkene] enig aandeelhouder is van [medeverdachte] B.V. maakt niet dat hij voor wat betreft het toe te rekenen wederrechtelijk verkregen voordeel vereenzelvigd zou kunnen worden met de B.V. Het vermogen van [betrokkene] en het vermogen van [medeverdachte] B.V. zijn altijd gescheiden gebleven en - op twee privé uitgaven na - is alleen sprake geweest van zakelijke uitgaven vanuit het vermogen van [medeverdachte] B.V. Daarnaast gelden voor de fiscale afdrachten van de B.V. andere tarieven dan voor [betrokkene] in persoon.

(...)

Het oordeel van het hof

De grondslag

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 21 september 2023 in de onderliggende strafzaak veroordeeld ter zake van onder meer – kort gezegd – actieve niet-ambtelijke omkoping in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 maart 2016. Het hof is van oordeel dat de betrokkene uit dit strafbare feit na te noemen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof ontleent de schatting van dit voordeel aan voornoemd arrest van dit hof in de onderliggende strafzaak (en de daarin opgenomen bewijsmiddelen) alsmede aan het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 23 januari 2020 met betrekking tot [medeverdachte] B.V. (hierna: Ontnemingsrapport), voor zover naar dit rapport wordt verwezen. Het hof overweegt daarbij nog het volgende.

De betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van [betrokkene 1] . [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. heeft [betrokkene 1] , naar aanleiding van hetgeen [betrokkene 1] in dienstbetrekking bij [A] zou doen of nalaten, de helft van de provisie beloofd die [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. als broker van [B] bij een geslaagde aankoop van de private equity portefeuille van [A] zou verkrijgen, terwijl [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. redelijkerwijs kon aannemen dat [betrokkene 1] deze belofte tegenover [A] in strijd met de goede trouw zou verzwijgen en zou handelen in strijd met zijn plicht. Met behulp van de handelingen die [betrokkene 1] door deze niet-ambtelijke omkoping heeft verricht, is de verkoop van de private equity portefeuille door [A] aan [B] tot stand gekomen. Door deze verkoop kon [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. aanspraak maken op de met [B] overeengekomen provisie, welke provisie ook door [B] is uitbetaald. Deze provisie is daarmee het resultaat van de niet-ambtelijke omkoping en daarmee wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu de retainer fees onderdeel zijn van de overeengekomen provisie van 2% – blijkens artikel 3.2 en 3.4 van de overeenkomst tussen [medeverdachte] B.V. en [B] van 15 januari 2015 betreffen de retainer fees immers maandelijkse voorschotten die op de succes fee van 2% van de verkoopwaarde van de portefeuille in mindering worden gebracht – en de helft van de provisie van 2% aan [betrokkene 1] is beloofd als onderdeel van de omkoping, vormen ook deze onderdeel van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het voorgaande dient het verweer van de raadsman, dat de provisie uitsluitend tot stand is gekomen omdat [betrokkene] / [medeverdachte] B.V. partijen bij elkaar heeft gebracht, te worden verworpen.

Vereenzelviging

De provisie is gestort op de rekening van [medeverdachte] B.V. [betrokkene] is sinds de oprichting van [medeverdachte] B.V. in 1991 bestuurder en sinds medio 2001 enig bestuurder en enig aandeelhouder. Als uitgangspunt heeft te gelden dat uit die omstandigheid niet zonder meer volgt dat het met deze onderneming genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Wel kunnen de concrete feiten en omstandigheden van de zaak aanleiding geven tot vereenzelviging. Daarvan kan sprake zijn indien kan worden aangetoond dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat de rechtspersoon heeft genoten, indirect of direct, voor rekening van de betrokkene is gekomen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer vast is komen te staan dat de betrokkene de volledige beschikkingsmacht heeft gehad over het vermogen van de rechtspersoon of wanneer hij bevoordeeld is doordat hij het vermogen van de rechtspersoon voor zichzelf heeft kunnen gebruiken.

[betrokkene] was in de bewezenverklaarde periode enig bestuurder en aandeelhouder en ook de enige persoon die werkzaam was voor [medeverdachte] B.V. Betrokkene had alleen de volledige beschikkingsmacht over [medeverdachte] B.V. en daarmee ook over het vermogen daarvan. Het hof is dan ook van oordeel dat [betrokkene] en [medeverdachte] B.V. in dit verband kunnen worden vereenzelvigd.

Dit leidt ertoe dat ook het verkregen voordeel dat niet als ‘loon’ aan de betrokkene is uitbetaald, als verkregen voordeel van de betrokkene dient te worden aangemerkt.

Berekening

Het wederrechtelijk verkregen voordeel (de opbrengsten minus de aftrekbare kosten) wordt als volgt berekend.

(...)

Verplichting tot betaling aan de Staat

(...)

Hoofdelijke betalingsverplichting

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.001.707,00 met oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting, gelet op hetgeen hiervoor in het kader van toerekening van het voordeel is overwogen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.001.707,00 (zevenmiljoen duizend zevenhonderdzeven euro).

Legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.001.707,00 (zevenmiljoen duizend zevenhonderdzeven euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader van betrokkene heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.”

Het hof heeft in de met deze ontnemingszaak samenhangende ontnemingszaak tegen [medeverdachte] B.V. geoordeeld dat [medeverdachte] B.V. wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de niet-ambtelijke omkoping, het door [medeverdachte] B.V. verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 7.001.707 en [medeverdachte] B.V. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de Staat.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840).

Het hof heeft overwogen dat met de verkoop van de ‘private equity’ portefeuille door [A] aan [B] een provisie was gemoeid van 2% van de verkoopwaarde van die portefeuille en dat die aan [medeverdachte] B.V. betaalde provisie het resultaat is van de niet-ambtelijke omkoping. Verder heeft het hof overwogen dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode ‘enig bestuurder en aandeelhouder was en ook de enige persoon die werkzaam was voor [medeverdachte] B.V.’ en dat alleen hij ‘de volledige beschikkingsmacht over [medeverdachte] B.V. en daarmee ook over het vermogen daarvan’ had. Op die grond heeft het geoordeeld dat de betrokkene en [medeverdachte] B.V. ‘in dit verband kunnen worden vereenzelvigd’.

Voor zover hierin besloten ligt dat de betrokkene en [medeverdachte] B.V. moeten worden vereenzelvigd – in die zin dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts)personen volledig moet worden weggedacht (vgl. HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480) – geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de vaststellingen van het hof geen uitzonderlijke omstandigheden blijken die zo’n oordeel, dat verder strekt dan slechts de toerekening van het door [medeverdachte] B.V. ontvangen provisiebedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, kunnen dragen. Voor zover het hof op andere grond het door [medeverdachte] B.V. ontvangen provisiebedrag heeft aangemerkt als wederrechtelijk voordeel dat niet alleen door [medeverdachte] B.V., maar ook door de betrokkene is ontvangen, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof blijkt niet of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat die provisie als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Daarbij zijn de vaststellingen van het hof ook onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van ‘gemeenschappelijk voordeel’ dat zowel aan [medeverdachte] B.V. als aan de betrokkene, ieder voor het geheel, kan worden toegerekend. (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884, rechtsoverweging 2.4.6-2.4.8.)

In zoverre is het cassatiemiddel gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0376 NJB 2025/2822 NJ 2026/19 RvdW 2026/62
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?