HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer 25/04284
Datum 5 december 2025
BESLISSING
in de zaak van
[verzoeker] (hierna: verzoeker)
betreffende het door verzoeker ingediende verzoek om wraking.
1. De procedure
Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij strafkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 25/01785. Bij bericht van 27 oktober 2025 is aan verzoeker onder meer meegedeeld dat de Hoge Raad de hiervoor genoemde zaak in behandeling zal nemen op 25 november 2025 te 12.30 uur en op die dag naar verwachting uitspraak zal doen.
Bij op 25 november 2011 te 09.11 uur ter griffie van de Hoge Raad ingekomen e-mail heeft verzoeker een verzoek om wraking ingediend. Dit verzoek is bij de Hoge Raad ingeschreven onder nummer 25/04284.
2. Beoordeling van het verzoek
Op grond van art. 512 Sv kan elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van het verzoek om wraking moet worden vooropgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Ingevolge artikel 513 lid 2 Sv moet een wrakingsverzoek worden gemotiveerd. Dit houdt in dat het verzoek de feiten of omstandigheden dient te vermelden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een verzoek voldoet niet aan de motiveringseis als iedere motivering ontbreekt. Daarvan is slechts sprake als ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende rechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Een dergelijk verzoek kan niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv en kan misbruik van procesrecht opleveren.
In aansluiting hierop bepaalt artikel 2.3.2, aanhef en onder a, Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad der Nederlanden dat de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het verzoek niet is gemotiveerd. Artikel 515 lid 1 Sv staat daaraan niet in de weg. Dat voorschrift is immers alleen van toepassing indien sprake is van een verzoek dat kan worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv. Die uitleg sluit ook aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, inhoudende dat de hoofdregel dat de behandeling van een wrakingsverzoek niet achterwege mag worden gelaten, alleen geldt bij een verzoek dat “does not immediately appear to be manifestly devoid of merit”.
Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek vermeld, voor zover hier van belang:
“Hierbij dien ik een wrakingsverzoek in tegen de behandeld raadsheren in voormelde zaak. Zij hebben de schijn van partijdigheid gewekt, nu zij faciliterend zijn gebleken aan de consequente handelswijze van het OM, de rechtbank en het Gerechtshof om een inhoudelijke behandeling, een eerlijk proces met inhoudelijke weerlegging keer op keer moedwillig te frustreren.
Dit is nu de derde instantie welke laat zien hoe de betonrot binnen de strafrechtketen hier evident aan de orde is. (...) U drukt maar door, terwijl de door u op [datum] verzonden brief mij wederom de mogelijkheid ontneemt op mijn recht me te verdedigen tegen deze bedrieglijke verdenkingen. (...) Ook de Hoge Raad faciliteert nu gewoon de praktijken van het Gerechtshof en de Rb Zeeland-West-Brabant in deze, die alle ruimte hebben geboden om misbruik van de rechterlijke macht te plegen. (...) Aan alle kanten stinkt deze zaak en de handelswijze van het OM dus. En men doet er letterlijk alles aan om dit in de doofpot te duwen. En u bent de 3de instantie die daar faciliterend aan is.
Gelet op het feit dat hier nu weer op dezelfde wijze wordt "doorgedrukt" en mij het recht op een eerlijk proces (6 EVRM) wordt ontnomen, kan ik niet anders dan het paardenmiddel van wraking inzetten om deze handelswijze af te stoppen. Uw handelwijze liet mij immers geen andere keuze. Op mijn onderstaande (!) e-mailbericht van 15 augustus 2025 werd immers nooit door u gereageerd. En dat past precies in de lijn die hier in drie instanties ingevoerd. Alsof het een bewust en corrupte samenspel is.“
Het wrakingsverzoek bevat geen feiten of omstandigheden die kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij de behandeling van het beroep in cassatie schade zou kunnen lijden. Het onderhavige verzoek voldoet daarmee niet aan de eis dat het verzoek om wraking moet worden gemotiveerd en kan dus niet worden aangemerkt als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling laten.
3. Beslissing
De Hoge Raad stelt het verzoek om wraking buiten behandeling.
Deze beslissing is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren F.J.P. Lock en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de griffier M. Wesselink, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.