HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01649
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 april 2024, nummer 21-001959-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van artikel 80a RO.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof heeft verzuimd de aftrek van artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht te bevelen ten aanzien van de taakstraf die naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte is opgelegd, omdat het hof die aftrek slechts heeft toegepast op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
De verdachte heeft onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. Daarom zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.