HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/03371 H
Datum 16 december 2025
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2023, nummer 16-242684-22, ingediend door J.J. Bronsveld, advocaat in Bergen op Zoom,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor verkrachting tot een gevangenisstraf van 540 dagen, waarvan 374 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
Artikel 460 lid 2 Sv schrijft voor dat de aanvraag tot herziening de gronden moet vermelden waarop de aanvraag berust en dat bij de aanvraag stukken moeten worden gevoegd ter onderbouwing van die gronden.
Bij de aanvraag zijn, ondanks de daartoe aanvullend aan de raadsman geboden gelegenheid, geen stukken gevoegd. Het gevolg daarvan is – gelet op artikel 460 lid 2 en 465 lid 1 Sv – dat de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling kan nemen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.