ECLI:NL:HR:2025:1920

ECLI:NL:HR:2025:1920, Hoge Raad, 16-12-2025, 24/02145

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 24/02145
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:910

Samenvatting

Verkrachting van 17-jarig meisje, dat na gebruik van alcohol en drugs in woning in slaap is gevallen, door 18-jarige verdachte, art. 242 (oud) Sr. Redelijke termijn in hoger beroep. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsman dat moet worden vastgesteld dat in h.b. sprake is van forse overschrijding van redelijke termijn? Gelet op wat raadsman heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn in h.b., had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Zo’n beslissing ontbreekt in ‘s hofs uitspraak. HR doet zaak zelf af door ervan uit te gaan dat redelijke termijn bij behandeling van zaak in h.b. is overschreden en opgelegde gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met 1 maand te verminderen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02145

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2024, nummer 21-001702-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.W. Syrier bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het verweer van de raadsman van de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Namens de verdachte is op 7 mei 2020 hoger beroep ingesteld, waarna het hof op 31 mei 2024 uitspraak heeft gedaan.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“STRAFMAAT

(...) Daarnaast moet worden vastgesteld dat in hoger beroep sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en hebben de feiten meer dan vijf jaar geleden plaatsgevonden zonder dat de vertraging geheel op het conto van het in hoger beroep verrichte nader onderzoek kan worden geschreven.

De verdediging verzoekt u in verband met het bepaalde in art. 22b Sr de kortst mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, namelijk van 2 dagen aangevuld met een fors voorwaardelijk deel en maximaal toegestane werkstraf van in geval van een veroordeling voor beide feiten 480 uur.”

Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte daar verder onder meer aangevoerd:

“Ook gelet op het lange tijdverloop in deze zaak verzoek ik u geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de twee dagen voorarrest.”

Gelet op wat de raadsman heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0408 NJB 2026/74
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?