HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02145
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2024, nummer 21-001702-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.W. Syrier bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het verweer van de raadsman van de verdachte over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Namens de verdachte is op 7 mei 2020 hoger beroep ingesteld, waarna het hof op 31 mei 2024 uitspraak heeft gedaan.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“STRAFMAAT
(...) Daarnaast moet worden vastgesteld dat in hoger beroep sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en hebben de feiten meer dan vijf jaar geleden plaatsgevonden zonder dat de vertraging geheel op het conto van het in hoger beroep verrichte nader onderzoek kan worden geschreven.
De verdediging verzoekt u in verband met het bepaalde in art. 22b Sr de kortst mogelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, namelijk van 2 dagen aangevuld met een fors voorwaardelijk deel en maximaal toegestane werkstraf van in geval van een veroordeling voor beide feiten 480 uur.”
Volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte daar verder onder meer aangevoerd:
“Ook gelet op het lange tijdverloop in deze zaak verzoek ik u geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de twee dagen voorarrest.”
Gelet op wat de raadsman heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.