ECLI:NL:HR:2025:1932

ECLI:NL:HR:2025:1932, Hoge Raad, 16-12-2025, 23/01814

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 23/01814
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2023:1117
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1150

Samenvatting

Medeplichtigheid aan medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 3.248.865) door met auto vooruit te rijden en omgeving te verkennen, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht gronddelict (witwassen). 2. Bewijsklacht medeplichtigheid. Blijkt voor medeplichtigheid vereist (voorwaardelijk) opzet op het door dader gepleegde misdrijf uit bewijsmiddelen? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Uit ’s hofs bewijsvoering kan weliswaar worden afgeleid dat medeverdachte samen met ander € 3.248.865 heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, maar niet z.m. dat zij wisten dat geldbedrag (onmiddellijk of middellijk) geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig was uit enig misdrijf, terwijl dit als bestanddeel van gronddelict witwassen is bewezenverklaard. Verdachte heeft op dit punt echter geen belang bij cassatie. Blijkens p-v van tz. in hoger beroep is vonnis in zaak tegen medeverdachte bij stukken gevoegd, terwijl uit dit vonnis volgt dat hij is veroordeeld wegens medeplegen witwassen van € 3.248.865. Veroordelend vonnis kan dienen als wettig b.m. in vorm van schriftelijk bescheid a.b.i. art. 344.1.1 Sv. Dit vergt dan wel dat hof bij beantwoording van vragen van art. 350 Sv zelfstandig nagaat of hij inhoud van dit vonnis ook redengevend acht in de door hem te beoordelen zaak, maar er kan eigenlijk geen twijfel over bestaan dat hij zich samen met ander schuldig heeft gemaakt aan medeplegen witwassen. Dit is ttz. door verdediging ook niet betwist. Ad 2. Hof is van oordeel dat opzet van verdachte op gronddelict (witwassen) voortvloeit uit hetgeen in zijn bewijsoverwegingen is vastgesteld en overwogen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Uit de in ‘s hofs bewijsoverwegingen o.g.v. b.m. genoemde omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte betrokken was bij geldoverdracht door medeverdachte, dat hij wist dat het om zeer groot geldbedrag ging en dat hij ook wist waarmee medeverdachte bezig was. Zo vond verdachte “eng bedrag” normaal en bevestigt hij dat met geldoverdracht “hij nu klaar is”. Daarbij komt dat omstandigheden van deze geldoverdracht een sterke aanwijzing opleveren voor criminele herkomst van geldbedrag en door verdediging niets is aangevoerd om dit bewijsvermoeden te weerleggen. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01814

Datum 16 december 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 mei 2023, nummer 23-000840-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat K. Canatan bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het bewezenverklaarde.

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 en 3.

3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0399
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?