HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00557
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 januari 2023, nummer 22-004676-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten A.M. de Koning en G. van der Wal bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan meer dan twaalf jaar vóór de uitspraakdatum van de Hoge Raad, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van dat feit voor zover deze betrekking heeft op deze periode, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman Van der Wal heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de regeling van artikel 2 lid 3 en 5 van de Wet toezicht trustkantoren (oud) (hierna: Wtt (oud)) onverenigbaar is met artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en daarom buiten werking moet blijven. Het voert aan dat de omstandigheid dat de minister nooit een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 2 lid 5 Wtt (oud) een ontoelaatbare beperking meebrengt van de vrijheid van dienstverrichting en daardoor in strijd is met het Unierecht.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre en van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgezien. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/00572, ECLI:NL:HR:2025:1877.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 8.3 merkt de Hoge Raad op dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het in dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde feit, om de redenen die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/00572, ECLI:NL:HR:2025:1877, met dien verstande dat in deze zaak door het hof aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd.
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.