ECLI:NL:HR:2025:4

ECLI:NL:HR:2025:4, Hoge Raad, 14-01-2025, 23/00280

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/00280
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:1418
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 3 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Medeplegen hennepteelt in slaapkamer van woning van partner van verdachte, art. 3.B Opiumwet. Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:1316 m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en uit HR:2019:97 m.b.t. rol die proceshouding van verdachte kan spelen. Hof heeft aan bewezenverklaring van medeplegen opzettelijk telen van hennep i.h.b. ten grondslag gelegd dat (i) verdachte wist van hennepkwekerij, (ii) hennepkwekerij is aangetroffen in woning die geheel ten dienste stond van die kwekerij, (iii) verdachte niet in deze woning sliep, maar daar wel veelvuldig met mededader aanwezig was, (iv) mededader heeft verklaard dat hij hennepkwekerij in woning had en dat er 5 oogsten zijn geweest, (v) energiecontract voor woning sinds 2016 op naam van verdachte stond en dat zij energiekosten en in tlgd. periode ook hypotheekrente voor deze woning betaalde, in welk verband hof heeft vastgesteld dat stroom t.b.v. kwekerij ‘legaal’ werd afgenomen, en (vi) in kwekerij met hennepresten besmeurde slippers in schoenmaat van verdachte zijn aangetroffen, waarover mededader heeft verklaard dat het waarschijnlijk slippers van verdachte zijn. Kennelijk en (mede gelet op overige vaststellingen) niet onbegrijpelijk, heeft hof ook aanwezigheid van deze slippers in ruimte waarin zich hennepkwekerij bevond, beschouwd als omstandigheid die duidt op betrokkenheid van verdachte bij feitelijke handelingen ten dienste van het telen van hennepplanten. Hof heeft op die gronden en mede in aanmerking genomen omstandigheid dat aannemelijke, andersluidende verklaring van verdachte is uitgebleven, geoordeeld dat verdachte en mededader zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van bewezenverklaarde hennepteelt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 23/00281 P, 23/00422 en 23/00423 P.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/00280

Datum 14 januari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2023, nummer 20-001861-21, in de strafzaak

tegen

[betrokkene ] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen van het telen van hennep niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 03 januari 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft geteeld een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 30 maart 2019 (...), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

(...)

Op het adres [a-straat 1] [plaats] , staat de volgende persoon ingeschreven:

Achternaam: [betrokkene 1]

Voornamen: [betrokkene 1]

Geboren: [geboortedatum] 1992

Op 3 januari 2019 bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij aanwezig was, waarvan de planten kennelijk waren geoogst. De kweekruimte was ingericht in een voormalige (slaap)kamer. In de kamer stond een kweektent met 143 plantenpotten. In de potten staken nog afgeknipte hennepplanten. De geknipte planten lagen nog in de kweektent naast de potten. In het midden van de ruimte stond een weegschaal. Tevens lagen er op de vloer in een openstaande doos en in een droognet nog enkele henneptoppen. De toppen hadden bij elkaar een nettogewicht van 70 gram.

Wij, verbalisanten, constateerden op grond van onze kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door een fraude-inspecteur bij netwerkbeheerder Essent. Hierbij werd geconstateerd dat de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij legaal werd afgenomen.

(...)

In de gang tussen de kweekruimte en de woonkamer stonden diverse afvalzakken met hennepafval. Om de woning en de woonkamer te betreden moest men langs deze afvalzakken lopen. In de woonkamer stonden enkele toebehoren voor de teelt van hennep. Dit betroffen groeimiddelen en een box-ventilator. Op het balkon stonden twee zakken met hennepafval.

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 januari 2019 (...), voor zover inhoudende weergave van het verhoor van medeverdachte [betrokkene 1] :

(...)

De vragen die aan de verdachte werden gesteld zijn in dit proces-verbaal aangegeven middels de letter ‘V’.

De antwoorden die de verdachte op deze vragen gaf zijn in dit proces-verbaal aangegeven middels de letter ‘A’.

(...)

V: De woning waarin u woont, is deze uw eigendom of wordt deze gehuurd?

A: Dat is mijn eigendom. Ik heb de woning in augustus 2016 gekocht.

(...)

V: Wat is de reden dat u een hennepplantage heeft.

A: Ik heb schulden.

(...)

V: In de hennepkwekerij werd een paar roze slippers, maat 38 (het hof merkt op dat dit kennelijk een vergissing van de verhorend verbalisant is geweest, gelet op bewijsmiddel 3 hierna) aangetroffen. Ik laat u nu de foto’s (het hof begrijpt de foto’s 16 en 17 op pg. 61) zien.

A: Dat zijn waarschijnlijk de slippers van mijn vriendin (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene ] ).

V: Hoe vaak verblijft je vriendin bij jou?

A: Zij is veelvuldig bij mij.

3. De eigen waarneming van het hof dat op de foto’s 16 en 17 (...) twee slippers zijn te zien die van onder en boven besmeurd zijn met hennepresten welke slippers, blijkens het bijschrift bij foto 16, maat 37 hebben en in de kwekerij lagen.

4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 10 januari 2019 (...), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [betrokkene ] :

(...)

Vragen aan de verdachte worden voorafgegaan met de letter ‘V’.

De antwoorden van de verdachte worden voorafgegaan met de letter ‘A’.

V: Hoe lang hebben jullie een relatie?

A: Wij hebben een relatie van 4 jaar.

(...)

A: Ik houd zijn administratie bij.

(...)

V: Op welke wijze wordt de hypotheek betaald?

A: De laatste 7 à 8 maanden betaal ik zijn hypotheek.

V: Wie is contractant bij het energiebedrijf?

A: Ik.

V: Wie betaalt de energiekosten?

A: Door mij.

(...)

A: Sinds 2016 betaal ik de energiekosten.

(...)

V: Wat heeft [betrokkene 1] jou verteld?

A: Ik wist wel wat er in die ruimte (het hof begrijpt: de ruimte met de hennepkwekerij) stond. Het geld komt voornamelijk van mij af.

V: Wat is jouw schoenmaat?

A: 37 a 38.

5. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 27 maart 2019 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

(...)

Hennepafval was aangetroffen in afvalzakken in de gang tussen de kweekruimte en de woonkamer. Ook lagen er afvalzakken met hennepresten (plantresten, potgrond en wortelresten) op het balkon. De resten in de zakken op het balkon waren zichtbaar ouder dan de resten in de woning.

In de kweekruimte waren knipschaartjes aangetroffen. Op deze knipschaartjes bevonden zich hennepresten.

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2019 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

(...)

Op 3 januari 2019 ontvingen wij een melding van een waarneembare hennepgeur, waarna door ons een hennepkwekerij werd ontmanteld op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Volgens bevraging van GBA bleek op dat adres 1 persoon ingeschreven te staan. Dit was verdachte [betrokkene 1] . Verdachte [betrokkene 1] was tijdens de instap aanwezig in de woning. Een omwonende in het appartementencomplex verklaarde dat er een man en vrouw op het adres woonden.

Tijdens het onderzoek in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] kregen wij de indruk dat [betrokkene ] ook op dit adres woonde. Wij troffen onder andere de volgende dingen aan:

- damesparfum;

- make-up;

- meerdere vrouwelijke kledingstukken, schoeisel en sieraden;

- vrouwelijke toiletartikelen zoals maandverband;

- meerdere (dames)handtassen, en

- een bankpas op naam van [betrokkene ] .

Verklaring verdachte [betrokkene ] :

refereerde in haar verhoor steeds naar het adres [a-straat 1] , als “thuis en bij ons thuis”.

7. De verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1] , afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 10 januari 2023, voor zover inhoudende:

Er zijn vijf oogsten geweest in mijn appartement aan de [a-straat 1] in [plaats] . Er was geen andere slaapkamer dan die waarin de hennepkwekerij was. Er was in het appartement alleen nog een woonkamer.”

Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:

“De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en heeft daartoe in de kern aangevoerd dat de verdachte weliswaar wist dat er een hennepkwekerij in de voormalig slaapkamer was, maar dat zij daar niets mee te maken had en ook nooit in de kwekerij is geweest. Ook verbleef zij slechts enkele dagen per week in de woning van [betrokkene 1] en sliep daar nooit. Om die reden kan er geen sprake zijn van enige strafrechtelijke betrokkenheid bij hennepteelt of bij het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt van het navolgende:

- op 3 januari 2019 is in de woning van de medeverdachte aan de [a-straat 1] te [plaats] een kweekruimte aangetroffen in een voormalig (slaap)kamer. Daarin stond een kweektent met 143 plantenpotten met afgeknipte hennepplanten en in een droognet en in een openstaande doos een hoeveelheid van ongeveer 70 gram henneptoppen. De elektriciteit voor de hennepkwekerij werd legaal afgenomen;

- de woning bestond naast de voormalige (slaap)kamer slechts uit 1 andere kamer;

- de woning werd (vrijwel) dagelijks door de verdachte en de medeverdachte bewoond. Dit volgt onder meer uit de verklaring van de medeverdachte dat de verdachte veelvuldig bij hem verbleef, de omstandigheid dat de verdachte in haar verklaring bij de politie, wanneer zij over de woning verklaarde, sprak over “thuis” en “bij ons thuis” en ook uit een verklaring van een omwonende dat in de woning een man en een vrouw woonden. Dat de verdachte kennelijk niet in de woning sliep maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders;

- de medeverdachte heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij in de woning had omdat hij schulden had en dat er 5 oogsten zijn geweest, hetgeen bevestiging vindt in de rapportage elektriciteitsverbruik opgesteld door Enexis Netbeheer (...);

- de verdachte heeft verklaard dat zij wist van de hennepkwekerij;

- het energiecontract stond op naam van de verdachte. De energiekosten werden sinds 2016 door haar betaald. Zij betaalde in de tenlastegelegde periode ook de hypotheekrente;

- ook in andere ruimtes in de woning werden aan hennepteelt gerelateerde goederen aangetroffen. In de gang voor de kwekerij stonden acht afvalzakken gevuld met onder andere gebruikte teelaarde en wortelresten en in de woonkamer werden groeimiddelen en een box-ventilator aangetroffen. Ook op het balkon stonden twee afvalzakken met hennepafval. Dergelijk gebruik van andere ruimtes dan waarin zich de kwekerij bevond, duidt er op dat feitelijk de gehele woning ten dienste stond van de hennepkwekerij;

- de resten in de zakken op het balkon waren zichtbaar ouder dan de resten in de woning, zodat deze zakken er geruime tijd moeten hebben gestaan (uitgaande van 10 weken per oogst);

- in de hennepkwekerij werden slippers aangetroffen die waren besmeurd met hennepresten, waarvan de schoenmaat overeenkwam met de schoenmaat van de verdachte en waarvan de medeverdachte verklaard heeft dat dat waarschijnlijk de slippers van de verdachte zijn.

Het hof is van oordeel dat vorenstaande feiten en omstandigheden redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring van het door de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte telen van hennepplanten in de tenlastegelegde periode. Van de verdachte mag een die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die verklaring heeft de verdachte niet gegeven.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft weliswaar erkend dat ze wist dat er een hennepkwekerij in de voormalig slaapkamer was, maar ook dat die door de medeverdachte daartoe ter beschikking was gesteld aan derden. Over die derden heeft de verdachte op de vraag van de politie of ruimtes of delen van de woning werden verhuurd aan derden slechts verklaard dat bij ons thuis (griffier: onderstreping hof) een paar jongens zijn geweest die ze 1 à 2 keer heeft gezien, maar daarna niet meer. Het hof gaat aan deze verklaring als volstrekt ongeloofwaardig voorbij. De hennepkwekerij is opgebouwd, waartoe veel materialen de woning zijn binnengebracht en gedurende enige tijd werkzaamheden zijn verricht, de hennepplanten zijn (gedurende de gehele bewezenverklaarde periode, uitgaande van de verklaring van de medeverdachte dat er 5 cycli zijn geweest) geplaatst, verzorgd, geoogst en ter plaatse zijn de henneptoppen geknipt, terwijl ook teelaarde moet zijn aangevoerd. Indien dat alles door derden zou zijn gebeurd, moet de verdachte daar minst genomen iets (en meer dan het 1 à 2 keer zien van een paar jongens) van mee hebben gekregen.

De vraag die dan ter beantwoording voorligt is of de verdachte in strijd met de waarheid over die derden verklaart (of anders gezegd: ze weet daar meer van dan ze toegeeft) of dat die derden niet bestaan. Het hof beantwoordt die laatste vraag bevestigend. Behoudens de verklaring van de medeverdachte over het bestaan van die derden komt uit het verhandelde ter terechtzitting geen enkele aanwijzing naar voren die de verklaring van de verdachte over de twee onbekend gebleven mannen ondersteunt.

Het hof acht de verklaring van de medeverdachte evenwel niet aannemelijk geworden. Die medeverdachte heeft immers deels wisselende verklaringen afgelegd. Hij heeft bij de politie verklaard dat twee mannen alles hebben geregeld en dat hij bij elke oogst € 1.500,- tot € 2.000,- zou ontvangen. Die mannen verzorgden de planten en zij hebben mensen geregeld voor het knippen daarvan. De eerste oogst was mislukt en de tweede oogst was eind december 2018. Hij heeft geen vergoeding voor het ter beschikking stellen van een kamer in zijn woning ontvangen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de medeverdachte verklaard dat de hennepkwekerij van twee Albanezen, was, van wie één kleiner en dikker was dan de ander. Nadere identificerende gegevens heeft de verdachte (de Hoge Raad begrijpt: de medeverdachte) niet verstrekt. De verdachte (de Hoge Raad begrijpt: de medeverdachte) heeft verder verklaard dat de hennepkwekerij ongeveer een jaar actief is geweest en dat er 5 keer is geoogst. De verdachte (de Hoge Raad begrijpt: de medeverdachte) zou hiervoor van de mannen in totaal een bedrag van € 9.500,- hebben ontvangen.

Voorts heeft de medeverdachte geen enkele informatie verstrekt over de twee mannen waarover hij spreekt in relatie tot de hennepkwekerij. Zijn verklaring over die mannen is derhalve niet verifieerbaar.

Tot slot acht het hof bij de beoordeling in deze van belang dat voor de aanwezigheid van de met hennepresten besmeurde slippers in de kwekerij, waarvan de schoenmaat gelijk is aan die van de verdachte en die volgens de medeverdachte waarschijnlijk van de verdachte zijn, geen enkele aannemelijke verklaring is gegeven. Die aanwezigheid past evenwel naadloos bij directe betrokkenheid van de medeverdachte (de Hoge Raad begrijpt: de verdachte) bij de hennepteelt.

Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het verweer wordt verworpen.”

Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. (Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2016:1323.)

Wat betreft die proceshouding houdt de rechtspraak van de Hoge Raad onder meer in dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet tot het bewijs kan bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. (Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97.)

Het hof heeft aan de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in het bijzonder ten grondslag gelegd dat (i) de verdachte wist van de hennepkwekerij, (ii) de hennepkwekerij is aangetroffen in een woning die geheel ten dienste stond van die kwekerij, (iii) de verdachte niet in deze woning sliep, maar daar wel veelvuldig met de mededader aanwezig was, (iv) de mededader heeft verklaard dat hij een hennepkwekerij in de woning had en dat er vijf oogsten zijn geweest, (v) het energiecontract voor de woning sinds 2016 op naam van de verdachte stond en dat zij de energiekosten en in de tenlastegelegde periode ook de hypotheekrente voor deze woning betaalde, in welk verband het hof heeft vastgesteld dat de stroom ten behoeve van de kwekerij ‘legaal’ werd afgenomen, en (vi) in de kwekerij met hennepresten besmeurde slippers in de schoenmaat van de verdachte zijn aangetroffen, waarover de mededader heeft verklaard dat het waarschijnlijk de slippers van de verdachte zijn. Kennelijk en – mede gelet op de overige vaststellingen – niet onbegrijpelijk, heeft het hof ook de aanwezigheid van deze slippers in de ruimte waarin zich de hennepkwekerij bevond, beschouwd als een omstandigheid die duidt op betrokkenheid van de verdachte bij feitelijke handelingen ten dienste van het telen van hennepplanten.

Het hof heeft op die gronden en mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat een aannemelijke, andersluidende verklaring van de verdachte is uitgebleven, geoordeeld dat de verdachte en haar mededader zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde hennepteelt. Dat oordeel is, mede gelet op wat onder 2.3.1 en 2.3.2 is vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2025/199 SR-Updates.nl 2025-0008 RvdW 2025/187
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?