HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01522
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2004, nummer 22-000377-04, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (volgens opgave BRP: [verdachte]),
geboren op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van hetgeen onder 4 aan de verdachte ten laste is gelegd en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissing op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 327a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004.
Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de in artikel 327a lid 3 Sv bedoelde aanvulling van het verkorte proces-verbaal niet heeft plaatsgevonden.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert aan dat voor feit 4 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.
De Hoge Raad zal voor feit 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2002, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak – met uitzondering van het onder 4 tenlastegelegde – opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.