ECLI:NL:HR:2025:496

ECLI:NL:HR:2025:496, Hoge Raad, 01-04-2025, 23/01522

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/01522
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:212
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Medeplegen mensensmokkel, meermalen gepleegd (art. 197a.1 Sr), medeplegen mensenhandel, meermalen gepleegd (art. 250ter (oud) en 250a (oud) Sr) en medeplegen vervalsen paspoort (art. 231 Sr). 1. Hof heeft volstaan met opmaken van verkort p-v van tz. in hoger beroep, art. 327a Sv. 2. Verjaring medeplegen vervalsen paspoort (feit 4), absolute verjaringstermijn (art. 70.1.3 jo. 72.2 Sr). Ad 1. Hof heeft aan HR bericht dat uitgewerkt p-v van tz. in h.b. van 5-11-2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat in art. 327a.3 Sv bedoelde aanvulling van verkort p-v niet heeft plaatsgevonden. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Feit 4 is strafbaar gesteld bij art. 231 Sr en hierop was gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren gesteld. Feit is volgens tll. begaan in of omstreeks periode van 1-8-1999 tot en met 30-1-2001. O.g.v. art. 70.1.3 jo. 72.2 Sr bedroeg absolute verjaringstermijn tweemaal 12 jaren. Daarom is recht tot vervolging van feit 4 verjaard. HR verklaart OM voor dit feit n-o in vervolging. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01522

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2004, nummer 22-000377-04, in de strafzaak

tegen

[verdachte] (volgens opgave BRP: [verdachte]),

geboren op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van hetgeen onder 4 aan de verdachte ten laste is gelegd en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissing op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 327a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004.

Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de in artikel 327a lid 3 Sv bedoelde aanvulling van het verkorte proces-verbaal niet heeft plaatsgevonden.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel voert aan dat voor feit 4 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.

De Hoge Raad zal voor feit 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2002, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak – met uitzondering van het onder 4 tenlastegelegde – opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0124 RvdW 2025/538
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?